dinsdag 22 oktober 2013

Een gemeenschap van leerlingen van Jezus in Amsterdam-West

Wegen tot vernieuwing. Praktijkberichten uit gemeente en parochie
Aflevering 12

De charismatische vernieuwing, zoals die binnen de CWN wordt voorgestaan, wil zich verliezen in de kerken. Nadrukkelijk is er een gerichtheid om de conventies en andere activiteiten vruchtbaar te laten zijn voor de praktijk van de locale gemeente en parochie. Toch blijkt het niet altijd eenvoudig om elementen uit de charismatische vernieuwing op vruchtbare wijze te laten landen in de plaatselijke geloofsgemeenschap. Vanwege dat gegeven zijn we in het najaarsnummer van 2004 gestart met een vaste rubriek in dit tijdschrift met daarin telkens praktijkberichten uit gemeente en parochie. Het gaat daarbij om eerlijke verslagen van pogingen om tot vernieuwing te komen in locale geloofsgemeenschappen. Dat kunnen geslaagde pogingen zijn, maar evengoed geheel of gedeeltelijk mislukte pogingen. Deze laatste zijn immers minstens zo leerzaam als succesvolle praktijken. Aansluitend aan ieder praktijkbericht volgt een evaluatie met behulp van inzichten uit de wereld van de gemeenteopbouw.

Een gemeenschap van discipelen in Amsterdam-West

Bas van de Graaf

In september 2006 werd ik in de Jeruzalemkerk in Amsterdam-West bevestigd tot missionair-gemeentepredikant. Tot die tijd was ik predikant van St.-Janskerk in Gouda. In de acht jaar in Gouda had het profiel van mijn predikantschap in toenemende mate een missionaire spits gekregen, ongetwijfeld in wisselwerking tussen mijn eigen gaven en de context van deze Zuid-Hollandse stad. Ik voelde me er als een vis in het water. Toen ik echter werd benaderd vanuit Amsterdam en ontdekte hoe welbewust de kerkenraad in de profielschets voor een missionair profiel voor de nieuwe predikant had gekozen ‘was ik weg’. Vol goede moed verkaste ik met mijn gezin naar Amsterdam, met groot verlangen om de gemeente te mogen voorgaan in haar missionaire roeping. Nu, vier jaar later, is het een goed moment om na te gaan wat er van dat verlangen terecht is gekomen en vooral wat we onderweg met elkaar ontvingen. Dat blijkt veel te zijn – de Geest van God heeft zich bepaald niet onbetuigd gelaten. Tegelijk is alles marginaler gebleken dan ik gehoopt had. Van een geestelijke transformatie van de stad kwam het niet, de 3000 op één dag uit het Pinksterevangelie zijn ook in vier jaar nog niet in beeld. De vernieuwing van onze gemeente speelde zich af in de marge van de stedelijke cultuur, onopgemerkt door zeer velen. Maar juist in de marge – zo leerde ik – vindt Christus door zijn Geest de weg. Daar getuigt dit praktijkverhaal van.

Historisch perspectief
Altijd als ik iets vertel over de Jeruzalemkerk vandaag begin ik met wat er aan vooraf ging. Ik doe dit omdat ik me bij mijn werk eigenlijk voortdurend bewust ben van het feit dat ik voorbouw op het werk van mijn voorgangers. Het werk van de Geest blijkt in de Jeruzalemkerk langs de weg van de historische continuïteit te gaan en dat draagt me.
Ook nu dus een kleine terugblik. De Jeruzalemkerk werd in de jaren twintig gebouwd als één van de kerken van een enorm nieuwbouwproject aan de Westkant van de stad. In 1974 was het echter bijna gedaan met deze plek: er kwamen nauwelijks nog mensen en het gebouw verkeerde in deplorabele toestand. Sluiting leek de enige optie. Maar het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond had de hoop op een doorstart nog niet opgegeven en vroeg dominee Wim van der Sluijs uit Moerkapelle of hij het daar nog eens wilde proberen. Aldus geschiedde en het ongelooflijke gebeurde: de nieuwe predikant wist veel buurtbewoners weer aan de kerk te binden en de gemeente bloeide weer op. Die opbloei kwam echter in de loop van de jaren tachtig danig onder druk te staan omdat de buurt met de komst van vele nieuwe Nederlanders sterk begon te verkleuren. Die veranderende context liet de kerk niet onberoerd en vroeg om nieuwe wegen. Die werden ingeslagen toen dominee Chris van Andel in 1990 de opvolger van Van der Sluijs werd. Om te beginnen gaf hij de gemeente een evangelischer profiel - grote aandacht voor gemeenteopbouw, gavengericht gemeentezijn en ruimte voor evangelische liederen - en sloeg daarmee de brug naar een groep jonge mensen, vooral studenten. Die koerswijziging is tot op de dag van vandaag één van de geheimen van de bloei van de gemeente nu. Onder leiding van Van Andel werd – in reactie op de geconstateerde noden in de buurt – in het wijkgebouw van de kerk een missionair-diaconaal project gestart, vooral gericht op kinderen en jongeren. Dit project werd een zegen voor velen en wakkerde in de gemeente het missionaire bewustzijn aan.
Op het moment dat ik beroepen werd, was de buurt opnieuw sterk aan het veranderen. De wijk werd in toenemende mate opgeknapt, de architectuur van de Amsterdamse School begon weer te stralen en steeds meer jonge, hoogopgeleide mensen wilden graag in de buurt wonen. Dit betekende dat er naast het missionair-diaconale spoor een tweede spoor nodig was, meer gericht op de hoogopgeleide buurtbewoners, waarvan er inmiddels ook steeds meer in de Jeruzalemkerk zitten. Het was in het bijzonder mijn taak, als missionair gemeentepredikant, om dat spoor verder uit te werken. Over hoe dát ging gaat het vooral in deze bijdrage.

Op zoek naar een dragende en inspirerende visie
Al heel snel groeide bij mij het besef, dat het vinden en verwoorden van een dragende en inspirerende visie voor de komende jaren van levensbelang was. Het zoeken naar die visie beschouwde ik, als voorganger en theoloog, als één van mijn eerste taken in de nieuwe gemeente. Uiteraard was dit geen soloproject, maar ik besefte wel dat de gemeente vandaag meer dan ooit visionair leiderschap nodig heeft en dat ik me daartoe geroepen weet.
Kernovertuiging daarbij was voor mij, dat een visie alleen echt dragend en inspirerend kan zijn als deze is geworteld in Bijbelse beloften. In de voorgaande periode waren dat vooral de beloften van 1 Korinthe 12-14 en Romeinen 12 – over de begaafde en zo wervende gemeente – geweest. Nu moest het missionaire profiel nog scherper worden en wat ligt dan meer voor de hand dan de Grote Opdracht van Jezus uit Mattheüs 28:16-20? Bestudering van de meest recente literatuur op het gebied van missionair gemeentezijn in een stedelijke context hadden me in toenemende mate op het spoor van discipelschap gezet. Ik ontdekte opnieuw dat discipelschap allereerst betekent dat je zelf leerling van Jezus wordt om vervolgens anderen tot leerling van Jezus te kunnen maken. Ik ontdekte ook, dat Mattheüs 28 misschien wel de meest complete beschrijving geeft van wat discipelschap inhoudt. Toen ik de gevonden visie met anderen in de gemeente ging delen vond deze direct veel herkenning en al pratend werd ons duidelijk welke kant het op moest.
Kortom: we maakten deze beloftevolle opdracht van Jezus tot uitgangspunt van onze visievorming en gingen deze woorden in gesprek brengen met de specifieke context van Amsterdam-West. Het uiteindelijke resultaat was een visiedocument, waarin naast een mission statement ook een vijftal speerpunten werd geformuleerd. Het was een geestelijk document waarmee we van meet af aan concreet aan het werk waren, waarbij opgedane ervaringen tot aanvullingen en aanscherpingen van de visie leidden. Nu, na vier jaar, beschouwen we onze visie als volwassen en beproefd en kunnen we hem breder publiceren.
In wat nu volgt geef ik letterlijk weer wat er in ons visiedocument staat, waarna ik iets laat zien van de concrete vernieuwing waartoe deze visie heeft geleid. Tenslotte maak ik nog een meer algemene evaluatieve opmerking.

Visie en missie in context
Uitgangspunt voor ons mission statement waren dus deze woorden van Jezus in Mattheüs 28:18-20: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ Dit leverde ons het volgende mission statement op:

De Jeruzalemkerkgemeente wil een gemeenschap van leerlingen van Jezus Christus zijn die zich in al haar activiteiten richt op verdieping van de gemeenschap met hem, het leren onderhouden wat Jezus heeft opgedragen, het maken van nieuwe leerlingen en de dienst aan uitbreiding van het Koninkrijk van God in de wereld en in het bijzonder in De Baarsjes en heel Amsterdam.

Geen mission statement dat op de nagel van een duim past dus, maar wel één dat op vijf terreinen enorm helpt om te focussen, in het vertrouwen ons hiermee te richten op de wil van Jezus onze Heer. Over welke vijf terreinen gaat het?

Een gemeenschap van leerlingen van Jezus Christus
Het eerste terrein betreft de gemeenschap. Daarover schrijven we het volgende: ‘Heel bewust duiden we onze gemeente aan als een gemeenschap. Deze aanduiding geeft allereerst aan, dat onze gemeente steeds meer trekken vertoont van de dynamische netwerksamenleving waar we in komen te leven. Dit heeft vooral gevolgen voor de wijze waarop mensen zich verbonden weten met de gemeente. Was het in vroeger tijden redelijk helder waar de buitengrens van de gemeente lag, vandaag de dag is die buitengrens veel vloeiender. De verbinding met de gemeenschap gebeurt meer vanuit de kern – het Evangelie – dan vanuit een formeel omschreven lidmaatschap (dat we uiteraard niet helemaal kunnen missen). We gebruiken hiervoor graag de metafoor van de veeboeren in Australië. Zij weiden grote kudden op enorme grasvlakten, waarbij er geen denken aan is om de kudde door een hek bijeen te houden. De dieren worden daarom naar een bron gebracht en dan losgelaten. De verschillende dieren verwijderen zich al grazend op verschillende afstand van de bron, maar keren daar altijd weer terug. Zo hopen we dat onze gemeenschap vanuit de bron van Evangelie verbonden wordt.’

Dit denken vanuit de gemeenschap heeft ons veel speelruimte gegeven. Spannend blijft natuurlijk de vraag of er op deze manier écht verbondenheid ontstaat en er uiteindelijk geen cultuur van vrijblijvendheid overblijft. Aan dat gevaar ontkomen we inderdaad niet altijd, maar het alternatief is in de stad eenvoudigweg geen optie. Het is dus veel vruchtbaarder om te herontdekken hoe bepaalde noties in het Evangelie – en de gemeenschapsgedachte ís bij uitstek zo’n notie – in een veranderende cultuur kunnen oplichten en vruchtbaar kunnen worden. Dat proberen we en daar worden we in bevestigd.
Eén van de belangrijkste vruchten van dit gemeenschapsdenken is misschien wel dat we op een veel meer ontspannen wijze dan voorheen leven met mensen op de rand van de kerk of gewoon in de buurt. Natuurlijk blijft er altijd een besef van wie binnen en wie buiten is, maar op één of andere manier helpt dit model ons om dat echt in Gods hand te laten. En natuurlijk helpt het ook om mensen met bindingsangst tegemoet te komen en dat zijn er nogal wat in onze stad! Als ik één ding heb geleerd is het wel dit: mensen die het naar hun zin hebben in Amsterdam, de stad van de vrijheid, hebben vaak ook moeite zich echt te binden aan een gemeenschap. Jongeren zijn geneigd allerlei sterke bindingen voor zich uit te schuiven, ouderen hebben ze na frustrerende of traumatische ervaringen vaak achter zich gelaten. Dat vraagt van ons als gemeente om een voorzichtige en creatieve zoektocht naar nieuwe vormen van verbondenheid en op allerlei momenten lijkt dat te lukken. Een heel praktische gevolg van dit zoekproces een herbezinning op lidmaatschap en de administratie daarvan. We hanteren inmiddels het onderscheid tussen belangstellende en deelnemer, waarbij mensen zelf kunnen aangeven in welke mate ze betrokken willen zijn.

Gericht op de gemeenschap met Christus
Het tweede terrein betreft het geestelijk leven. Daarover schrijven we: ‘Wij geloven dat een steeds diepere geestelijke verbondenheid met Jezus Christus het hart van discipelschap maar ook de diepste zin van ons leven betekent. De belofte van Jezus – ‘ik ben met jullie’ – is voor ons dan ook richtinggevend en een bron van inspiratie. We geloven dat de bijbel en de christelijke traditie vele ‘geestelijke disciplines’ biedt, die mensen van vandaag helpen om te groeien in de gemeenschap met God. In de vele activiteiten die we ontplooien willen we er dan ook voor waken om niet in activisme te vervallen en het hart van de zaak in het oog te houden. We geloven dat juist deze gerichtheid op het hart van het geloof tegemoet komt aan de vragen van de vele spirituele zoekers van vandaag en willen ons er in oefenen juist voor hen ook de christelijke bronnen te openen. Tegelijkertijd beseffen we, dat ook gemeenteleden vaak nog zoveel groei nodig hebben en daarin voortdurend stimulans en bemoediging nodig hebben.’

Uit deze woorden blijkt, dat geestelijk leven en dus gerichtheid op het hart een belangrijk aandachtsveld is in onze gemeente. Deels ligt dat in de lijn van de geschiedenis – de Jeruzalemkerk werd in de jaren zeventig herplant als een Gereformeerde Bondsgemeente die stond in de bevindelijk gereformeerde traditie – maar belangrijker is de gevoelde noodzaak voor vandaag. De noodzaak van een zoekende en verlangende cultuur, maar ook in ons eigen hart.
In bovenstaande regels valt de term ‘geestelijke disciplines’. Die term voert ons terug naar de manier waarop al vanaf de vroege kerk is gewerkt aan geestelijke en discipelschapsvorming. Het is dan ook opvallend dat juist in missionaire stadskerken wereldwijd een toenemende aandacht valt te bespeuren voor de lessen die in de Vroege Kerk zijn te leren. Een voorbeeld daarvan is het kerkelijk jaar, waar onze eigen bezinning zich in toenemende mate op toespitste. Samen met anderen hebben wij ons afgevraagd hoe het ritme van het kerkelijk jaar, met zijn leesrooster en periodes met een eigen kleur en accent (Advent, Veertigdagentijd, etc.) mensen vandaag kan helpen om dichter bij Christus te komen. Een ontroerende ervaring deden wij op met een Aswoensdagviering, aan het begin van de Veertigdagentijd. Maar liefst 150 vooral jonge mensen (twintigers en dertigers) maakten deze viering mee, ontvingen een askruisje en begonnen zo op intensieve wijze de voorbereidingstijd van Pasen. In de nog prille ervaringen die wij opdeden kwamen we tot de conclusie dat hier een schat aan mogelijkheden voor geestelijke vernieuwing ligt.

Leren onderhouden wat Jezus ons heeft opgedragen
Het derde terrein betreft de ethiek en de navolging van Christus. Daarover schrijven we: ‘Wij geloven dat een leven in gehoorzaamheid aan Gods geboden goed is voor de stad en al haar inwoners. Het onderwijs van Jezus – dat hij belichaamde met zijn leven en sterven – verwoordt de kern van Gods heilzame wil over alle terreinen van het leven. Wij weten ons geroepen ons als leerlingen van Jezus door zijn onderwijs te laten vormen en uitdagen, zodat we beelddragers van hem worden. Op die manier willen we in gehoorzaamheid nieuwe wegen zoeken op heel concrete ethische terreinen als relatievorming, persoonlijke vrijheid en identiteit en de vragen rond geld en goed. Door de woorden ‘in gehoorzaamheid’ en ‘nieuwe wegen zoeken’ met elkaar te verbinden hopen we de valkuilen van ondoordacht traditionalisme en kritiekloze culturele aanpassing te vermijden.’

Misschien is dit wel het spannendste gedeelte van onze missie in de stad. Het moge duidelijk zijn dat Amsterdam bij uitstek de stad van de vrijheid is. Als Tim Keller gelijk heeft als hij stelt dat iedere stad zijn eigen afgod heeft (Washington de god van de macht, New York de god van het geld) dan heeft Amsterdam de god van de vrijheid. Juist in die context weten we ons als kerk geroepen te blijven zoeken naar wat écht vrijheid is, waarmee we Bijbels gezien vanzelf bij gehoorzaamheid en navolging uitkomen. Vaak begon de bezinning in de afgelopen jaren met een concrete aanleiding, bijvoorbeeld een samenwonend stel dat belijdenis wilde doen. In een vorige fase was door de kerkenraad besloten dat dit niet kon, maar in de huidige situatie voelden we dat besluit moesten herzien. Maar hoe? Door in feite te zeggen dat huwelijk of samenwonen om het even is? Dat is in het licht van het Evangelie echt te weinig. En zo zochten we een weg waarbij we om te beginnen speelruimte creëerden voor gesprek (geen verbod dus aan het begin van de route), een gesprek waarin we vooral op positieve wijze spraken over de Bijbelse betekenis van het huwelijk. We zochten opnieuw naar de betekenis van het huwelijk voor discipelschap vandaag en dus naar een antwoord op de vraag of juist het huwelijk in onze stad niet een concreet getuigenis van Gods liefde en trouw kan zijn. Zo zoeken we naar nieuwe wegen en proberen we de valkuilen van ondoordacht traditionalisme en kritiekloze culturele aanpassing te vermijden.

Gericht op het maken van nieuwe leerlingen
Het vierde terrein betreft de opdracht tot getuige zijn. Daarover schrijven we: ‘Wij weten ons als leerlingen van Jezus geroepen om nieuwe leerlingen te maken onder alle volkeren. In een stad als de onze hoeven we niet meer naar de volken toe te gaan, omdat ze inmiddels naar ons toe kwamen. Hoewel we heel goed beseffen dat deze opdracht vanuit ons perspectief gezien onmogelijk is, putten we moed en geloof uit de opdracht van Jezus die tegelijk een belofte inhoudt. We geloven ook, dat God ons vandaag de dag weer nieuwe kansen geeft en dat we –na een periode waarin de kerk zich beschroomd terugtrok – weer met een nieuwe vrijmoedigheid in de stad mogen staan.
Vrijmoedigheid is echter geen vanzelfsprekendheid, maar een eigenschap die ontstaat als we groeien in discipelschap. Dit vraagt dus om toerusting en maakt onze gemeente dus ook in dat opzicht tot een leerplek. Steeds meer leren we bijvoorbeeld, dat het maken van discipelen begint met het werkelijk leren kennen van en leven met de mensen om ons heen. Op allerlei manieren willen we hen uitnodigen kennis te maken met het Evangelie, in het diepe besef dat deze boodschap mensen echt vrij maakt. Boven alles vertrouwen we er op en zien we er naar uit, dat Jezus zelf mensen die wij niet kunnen bereiken op onze weg zal brengen, zodat wij ze alleen maar hoeven helpen.’

Het is niet geheel toevallig dat de opdracht om getuige te zijn in de uitwerking van ons mission statement pas als vierde terrein wordt genoemd. In toenemende mate ben ik me gaan realiseren, dat de eerste drie terreinen een noodzakelijke voorwaarde vormen voor het getuige zijn. Wat valt er te getuigen als je zelf niet van harte leerling van Jezus bent, iets weet van de verborgen omgang met hem en het verlangen om hem te volgen in een levende en getuigende gemeenschap van medechristenen? De belangrijkste vrucht van dit besef is misschien wel dat het ons veel vrijmoediger en dus meer ontspannen maakt. Concreet betekent het dat we er vooral op in hebben gezet dat we plekken en activiteiten creëren waar ontmoetingen plaats vinden waarin het geloof ter sprake komt. Dat zijn allereerst de kerkdiensten, die we nog steeds als het belangrijkste portaal voor zoekers beschouwen, maar ook een Alpha-Cursus (inhoudelijk flink aangepast aan de doelgroep) en een verdiepingscursus (waar we met zoekers vooral bespreken wat er in kerkdiensten aan de orde is geweest). Uiteraard doen we een beroep op gemeenteleden om mensen uit hun eigen netwerk mee te nemen naar diensten of activiteiten en bewegen we ons zoveel mogelijk in de buurt. Een heel belangrijke ontdekking is, dat gewoon met elkaar in gesprek gaan over een Bijbelgedeelte het beste blijkt te werken. Juist zoekers willen zo snel mogelijk naar de bron en wantrouwen al gauw de secondaire literatuur. Dat laten wij ons geen twee keer zeggen natuurlijk! Hier valt nog veel te winnen!

Gericht op de dienst aan de uitbreiding van het Koninkrijk van God in de wereld en in het bijzonder in De Baarsjes en in geheel Amsterdam.
Het vijfde terrein, tenslotte, betreft de visie op de stad en de cultuur. Daarover schrijven we: Wij geloven, dat de boodschap van het Koninkrijk van God de rode draad is in het onderwijs van Jezus en dat deze ons heel erg helpt om het juist perspectief te vinden voor ons werk in de stad. Een belangrijk inzicht is, dat het Koninkrijk groter is dan de kerk en dat het God uiteindelijk niet om de kerk maar om de wereld te doen is. Omdat dit waar is, mogen we dus ook verwachten dat God ook aan het werk is in de wereld en dus ook in De Baarsjes en geheel Amsterdam. We geloven dan ook dat het van levensbelang is om met open ogen en een open hart in de wereld te zoeken naar sporen van het handelen van God. Wanneer we dat doen zullen we steeds weer mensen of initiatieven tegen komen die goed aansluiten bij onze missie en waar we in mee kunnen werken.
Bijzondere aandacht geven we aan schoonheid en kunst. Dit doen we eerst en vooral omdat we geloven, dat de kunst een prachtige gave van de Schepper. We houden er rekening mee dat juist kunstenaars (binnen, maar ook buiten de kerk) de tekenen van Gods Koninkrijk zien en weten te verbeelden. Ook geloven we dat schoonheid en kunst bijdragen aan de vrede in de stad. Tenslotte hopen we op deze manier ook in contact te komen met de groeiende creatieve klasse in onze stad.’

Het vijfde terrein is misschien vooral ook een perspectief voor alles wat we doen. Juist als kerk in de marge word je gedwongen om je ogen en oren goed open te houden voor mogelijke sporen van Gods Geest in de cultuur van de stad. Jezus’ boodschap van het Koninkrijk van God helpt daar zeer bij en spoorde ons aan om vooral naar schoonheid en kunst te kijken. Directe aanleiding is, dat de Jeruzalemkerk een prachtig gebouw is, dat door vele – vooral ook jonge mensen – bewonderd wordt. Die schoonheid willen we allereerst delen met mensen, maar vervolgens willen we ook kijken hoe het gebouw opnieuw een kruispunt van geloof, kunst en cultuur kan worden. In die zoektocht werden we erg geholpen door een initiatief van Stadsdeel De Baarsjes. Onder de noemer Juni Kunstmaand creëerde het stadsdeel een evenement dat kunstenaars en buurtbewoners tot samenwerking uitnodigde. Wij zijn daar in mee gegaan en hebben zo veel contact gekregen met musici en beeldende kunstenaars, met wie we mooie projecten hebben gedaan en dus ook mooie gesprekken hebben gevoerd over geloof en kerk. De kerk heeft zo op een nieuwe manier haar buurtfunctie wat terug gewonnen en was op sommige momenten zelfs even huis van de buurt. Spannend is het natuurlijk wel, want kunstenaars zijn vrije geesten die soms dingen over religie bedenken die wij niet kunnen volgen, maar daar zijn we dan zelf bij. Vooralsnog genieten we van veel moois dat ons ook hier wordt geschonken.

Evaluatie
Alles overziend is er in vier jaar tijd erg veel gebeurd in onze gemeente. Er is veel dynamiek ontstaan, die deels wordt verklaard door de dynamiek van de stad, maar naar onze overtuiging zeker ook door de dynamiek van Gods Geest, die wegen schrijft in de tijd. Als gemeente hebben we vooral geprobeerd ons open te stellen voor de in deze dynamiek geschonken kansen en mogelijkheden, een spannend en avontuurlijk proces.
Om te beginnen heeft dat veel nieuwe en vruchtbare dingen opgeleverd. Er kwamen allerlei nieuwe activiteiten, steeds weer nieuwe mensen gingen hun gaven inzetten en het aantal contacten in de buurt groeide gestaag verder. De Jeruzalemkerk – een beetje verstopt aan een verstild plein achter grote huizenblokken – is op allerlei manieren weer in beeld gekomen, in de buurt, maar ook in het land. De Geest van God heeft wegen gebaand en deuren geopend.
Toch blijft een toon van bescheidenheid op zijn plaats. De Jeruzalemkerk is bepaald geen succesvolle megakerk (gelukkig niet), maar een levende gemeenschap in de marge van de stadscultuur. Het aantal mensen dat we werkelijk met het Evangelie konden bereiken is veel kleiner dan we hoopten en dat in vier jaar tijd nog geen enkele bekeerling werd gedoopt (toch ook een kernnotie in Mattheüs 28!) geeft veel te denken. Ook de sterkste en meest Bijbels gefundeerde kerkelijke missie stuit in Amsterdam op de diepe kloof tussen het Evangelie en de postchristelijke cultuur. In die cultuur blijven we het Grote Verhaal van Christus vertellen, maar voor grote succesverhalen is weinig reden.
Dat brengt mij tot de conclusie dat de visie die we hebben gevonden misschien wel het meest kostbare geschenk van de afgelopen vier jaar is geweest. Ons mission statement is geworteld in sterke Bijbelse beloften maar ook verbonden met de context van de stad. Daarmee is het een missie waar we op terug kunnen vallen, ook als we minder vruchten zien dan wij hoopten. We putten er het geloof en het vertrouwen uit dat we als gemeente deel mogen uitmaken van de beweging die God zelf in Amsterdam gaande houdt, vernieuwend en verrassend. Deel te mogen zijn van die vernieuwingsbeweging is een groot voorrecht!


Een gemeenschap met lef en visie

Sake Stoppels

De rubriek ‘Wegen tot vernieuwing’ brengt ons in heel verschillende contexten. In vorige afleveringen bevonden we ons vooral in kleinere steden en op het platteland, maar in deze aflevering zitten we midden in de dynamiek van de grote stad. We zien zeker in Amsterdam, maar ook in andere grote steden, tekenen van hernieuwde vitalisering van geloofsgemeenschappen. Allerlei kerken in de stad moeten hun deuren sluiten, maar we zien juist ook in de grote steden nieuwe wegen ontstaan, voorbij aan de vanzelfsprekendheid, maar evenzeer voorbij aan de schuchterheid. In verband met dit laatste is het mooi om te lezen dat in de Jeruzalemkerk zoekers gewoon de Bijbel willen lezen en geen genoegen nemen met allerlei boekjes over de Bijbel. Back tot the basics!
Bij kerkelijke vernieuwing opereren gemeenten vaak niet in hun eentje, maar worden partners gezocht. De Jeruzalemkerk is er een mooi voorbeeld van. De gemeente participeert in het platform ‘Amsterdam in beweging voor Jezus Christus’. Negen gemeenten (CGK, GKV, PKN) doen er aan mee en samen hebben ze zes nieuwe geloofsgemeenschappen in Amsterdam gesticht.[1] We zien hier een boeiende mix van een orthodoxe geloofsbeleving en een grote mate van openheid in het vinden van nieuwe manieren van communicatie van het Evangelie en nieuwe gestalten van gemeenschap.[2] In mijn ogen zijn we hier getuige van een wonder van vernieuwing. Want in deze nieuwe Amsterdamse geloofsgemeenschappen en trouwens ook in de moedergemeenten worden allerlei vernieuwingen doorgevoerd die een aantal jaren nog onmogelijk zouden zijn geweest. Het askruisje op de Aswoensdag in de Jeruzalemkerk is er een bijna provocerend voorbeeld van! De Amsterdamse kerken lijken te delen in de hoofdstedelijke behoefte aan vrijheid, een vrijheid die in dit geval nieuwe en vruchtbare vormen van geloofscommunicatie mogelijk maakt.
Het zal na lezing van het artikel van Bas van de Graaf vermoedelijk geen verbazing wekken dat ik me in deze evaluatie in het bijzonder zal concentreren op de rol van visieontwikkeling in een gemeente. De Jeruzalemkerk laat zien dat visieontwikkeling een wezenlijke stimulans kan zijn voor het functioneren van de gemeente.

Doorgaande lijn
Bas van de Graaf maakt duidelijk dat hij op de schouders staat van zijn voorgangers. De gemeente is geen jojo die stuurloos op en neer gaat, maar een gemeenschap met een heldere lijn. Dat lijkt voor de hand liggend te zijn, maar in de kerk kunnen we het toch regelmatig meemaken dat er nauwelijks een lijn valt te ontdekken in bijvoorbeeld het profiel van opeenvolgende voorgangers. Van de Graaf schrijft dat het werk van de Geest in de Jeruzalemkerk langs de weg van de historische continuïteit blijkt te gaan. De gemeente weet wat ze wil en zoekt daar een voorganger bij. De nieuwe voorganger voegt zich – uiteraard met eigen accenten en nieuwe elementen – in in een profiel dat duurzaam is en los van hem al bestond. Nogmaals, dat klinkt allerminst spectaculair, maar een dergelijke historische continuïteit is lang niet altijd aanwezig in de gemeente en de parochie. Daardoor gaan veel kansen op verdieping en groei verloren. Ik grijp hier nog even terug op de vorige aflevering van deze rubriek. Daarin noemde ik het boek van Loren Mead, A Change of Pastors.[3] Mead’s stelling is dat juist een vacaturetijd van cruciaal belang is voor het functioneren van een gemeente. Deze periode biedt de gemeente de gelegenheid te kijken welke kant ze werkelijk op wil. De Jeruzalemkerk heeft die kans niet laten liggen en het gevolg is dat er een predikant is gekomen die voluit de verdere uitwerking van de koers en de missie van de gemeente meedraagt.

De visie is gevonden, niet gemaakt
Bijna aan het einde van Van de Graafs artikel staat een even mooi als belangrijk zinnetje: ‘Dat brengt mij tot de conclusie dat de visie die we hebben gevonden misschien wel het meest kostbare geschenk van de afgelopen vier jaar is geweest.’ De gemeente heeft een visie gevonden, niet gemaakt. En deze visie is een geschenk, geen product. Dat is in mijn ogen een wezenlijk evangelische notie. In de kerk wordt visie uiteindelijk niet gemaakt of bedacht, maar geboren uit een contemplatief leven. De visieontwikkeling in het bedrijfsleven en binnen de kerken hebben zeker parallellen, maar ze verschillen toch fundamenteel van elkaar. Het meest belangrijke verschil is misschien wel dat visieontwikkeling binnen een christelijke geloofsgemeenschap niet primair een kwestie van brainstorming is, maar veeleer vrucht is van luisterend gebed, van een openheid voor wat van Godswege te verstaan wordt gegeven. Natuurlijk vraagt visieontwikkeling in de kerk om activiteit en inzet, maar zeker ook om receptiviteit. Niet het brainstormen gaat voorop, maar wat je – met een niet bestaand woord – zou kunnen noemen de brainstilling. ‘A vision that hints of the future does not originate in wishful thinking but draws its energy from an encounter with the One in whom the future exists.’[4] Uiteraard is er in de Jeruzalemkerk goed nagedacht over de buurt, over de brede maatschappelijke context en over de plek van de kerk daarbinnen, maar dat is niet de kern geweest. Misschien is dat zinnetje van Van de Graaf wel een mooie toetssteen voor gemeenten die bezig zijn met visieontwikkeling: kunnen we ons proces primair zien als een geschenk of is het vooral een kwestie van hard werken, duwen en stug doorgaan?

Wie vindt de visie?
In alle boeken die gaan over visie-ontwikkeling, wordt benadrukt dat dit een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid is. Wil een visie beklijven, dan zal ze immers breed moeten worden gedragen. De Amerikaanse godsdienstsociologe Nancy Ammerman ontdekte in haar sociologische onderzoek naar godsdienstige gemeenschappen in de VS meer dan eens dat visiedocumenten niet konden worden gevonden. ‘Het stuk moet wel ergens zijn’, hoorde ze dan verontschuldigend, terwijl haar respondenten de kasten nazochten.[5] Als Ammerman in de Nederlandse kerken dit onderzoek zou herhalen, zou ze vermoedelijk vergelijkbare ervaringen opdoen. Visiedocumenten blijken lang niet altijd in de gemeente te leven.[6] Een van de oorzaken daarvan is dat gemeenteleden nooit werkelijk ‘eigenaar’ zijn geworden van de visie. Ze hebben er mogelijk mee ingestemd, maar dat is nog heel iets anders dan dat het hen in beweging heeft gezet. Op zich hoeft dit probleem ook niet te verbazen. Plaatselijke kerken moeten nog erg wennen aan het idee een visie te ontwikkelen en beleid te maken. Bovendien kost het in de regel jaren voordat een visie een gemeente werkelijk doordesemt en stuurt, zo leren vrijwel alle praktijk ervaringen en boeken over gemeenteopbouw. Van belang bij dit alles is uiteraard de vraag wie betrokken worden in het proces van visievorming. Breed klinkt het pleidooi om dit proces zo ruim mogelijk op te zetten. Nu lijkt de Jeruzalemkerk zich niet aan die spelregel te hebben gehouden. We lezen dat de voorganger zich geroepen weet het voortouw te nemen als het gaat om visieontwikkeling. Hij spreekt expliciet over ‘visionair leiderschap’. We zien in de Jeruzalemkerk geen systematische route langs iets als een werkgroep visie en missie, de kerkenraad en de gemeentevergadering om tot een visie te komen. Er wordt niet van onderop gewerkt, maar van ‘bovenaf’ wordt een visie geformuleerd die dan vervolgens wordt gedeeld en besproken, vooral in leidinggevende kringen. Dat lijkt in eerste instantie te botsen met gangbare inzichten binnen de wereld van gemeenteopbouw, maar voor een goede beoordeling is het goed de setting van het proces in gedachten te nemen. Van de Graaf kan voortbouwen op wat in de loop van enkele jaren is gegroeid. Hij is immers bepaald de eerste niet! Er is richting gevonden, de gemeente heeft zich al in missionaire zin ontwikkeld, ze is al ruimschoots onderweg. De taak van een voorganger kan in zo’n situatie inderdaad zijn om kort en krachtig onder woorden te brengen wat de gemeente feitelijk al beweegt en verlangt. Visieontwikkeling kan er ook uit bestaan dat het leven van de gemeente op noemer wordt gebracht (‘ja, dat zijn we en dat willen we!’) als basis voor verder beleid. Dat lijkt in de Jeruzalemkerk te zijn gebeurd. Explicitering van de bestaande praktijk en de daarin levende verlangens is een wezenlijk element van visieontwikkeling! Een fundering om op door te bouwen...

Hoe concreet is een visie?
Ik keer nog even terug naar Nancy Ammerman. In haar onderzoek ontdekte ze onder andere dat de strekking van visiedocumenten vaak zo algemeen was, dat ze ongeschikt waren om een koers uit te zetten. In plaats van in de gemeenschap te landen, belandden ze in een la. Ook dat is helaas een veel voorkomend euvel binnen gemeenten en parochies. Soms heeft het te maken met de behoefte iedereen binnenboord te houden. Echter een grijs en defensief getint mission statement werkt zelden of nooit wervend.
Naarmate een visiedocument concreter en toegespitster is, zet ze mensen meer in beweging. Daar waar concrete keuzes worden gemaakt en heldere prioriteiten worden gesteld, wordt ook de werfkracht in de regel groter. Een criterium voor een heldere visie zou kunnen zijn dat men ook anders kan kiezen. Een visie wordt prikkelend als men – binnen de grenzen van de christelijke traditie – ook er voor zou kunnen kiezen de zaken waarvoor gekozen is, niet te doen. Een concrete visie impliceert dat men zonder zichzelf geweld aan te doen, ook anders had kunnen kiezen, andere accenten had kunnen leggen. Jim Herrington c.s. maken in dit verband een onderscheid tussen de missie van de gemeente en haar visie. De missie is iets dat alle kerken delen en dat constitutief is voor de christelijke gemeente. Je kunt bijvoorbeeld als gemeente niet ongestraft zeggen dat je weinig of niets met Jezus hebt. Daarmee plaats je jezelf buiten de christelijke traditie. Het probleem is dat visiedocumenten nogal eens niet verder komen dan missieachtige uitspraken en daarmee niet of nauwelijks sturing geven.[7] De visie daarentegen verbijzondert de plaats van een specifieke gemeente binnen de algemene missie van de kerk.[8] Scherp geformuleerd: wil een visie vruchtbaar uitwerken, dan moet ze eenzijdig zijn en zich concentreren op een beperkt aantal aspecten binnen de brede missie van de christelijke gemeente.
Als we dat zo stellen, hoe komt de Jeruzalemkerk er dan af? Ik kan er op deze plaats niet al te veel over zeggen, maar beperk me tot één specifieke keuze van de Jeruzalemkerk en wel de keuze voor een open communicatie met kunstenaars. Dat is een mooi voorbeeld van een concrete toespitsing van de missie van de gemeente. Als ze deze bewuste openheid naar de kunst niet zou hebben, zou ze evengoed gemeente van Christus zijn. Met de keuze voor openheid richting kunst en kunstenaars, kiest de Jeruzalemkerk haar eigen plek temidden van andere christelijke geloofsgemeenschappen. Dat vormt een uitdaging aan alle christelijke geloofsgemeenschappen: kunnen wij in ons mission statement – en de nadere uitwerking daarvan – zo concreet en specifiek worden dat helder wordt welke eigen en unieke plek wij innemen in het geheel van de wereldwijde kerk?

Het apostolicum, artikel 13: ‘Ik geloof in het Koninkrijk van God’
Een van de vragen die ik aan predikanten in opleiding altijd meegeef, is de vraag in hoeverre de gemeente waar ze stage lopen anders zal gaan functioneren als haar gebouw op een dieplader gezet wordt en 20 kilometer verderop weer wordt neergezet. De achterliggende vraag daarbij is uiteraard de gerichtheid op de directe omgeving van de gemeente in kwestie. In hoeverre kleurt deze het functionern van de gemeente? In het verhaal over de Jeruzalemkerk komen we de context nadrukkelijk tegen en bepaald niet alleen als ‘afzetmarkt’. Vanuit het denken in termen van het Koninkrijk Gods zien we een dienstbare houding ten opzichte van Amsterdam in het algemeen en het stadsdeel De Baarsjes in het bijzonder, maar dat is niet het hele verhaal. Juist het denken vanuit het Rijk Gods voorkomt eenrichtingsverkeer vanuit de kerk naar ‘de wereld’. Er ontstaat ruimte om te zien welke geschenken vanuit de samenleving op de kerk afkomen. In de Jeruzalemkerk concentreert zich, zoals we al zagen, deze ontvankelijkheid mede op kunst en cultuur. Kunst en creativiteit zijn gaven van de Schepper en deze gaven storen zich in het geheel niet aan de grenzen van kerk en christendom. Daarom stelt de gemeente zich ook open voor uitingen, opvattingen en verhalen van kunstenaars. Dat is af en toe wel spannend, zo begrijp ik, maar die spanning werkt ook als een boemerang: ‘wie zijn wij als gemeente eigenlijk en hoe verhouden wij ons tot andere overtuigingen en levensvisies?’ Een leerzame ontmoeting waar de gemeente alleen maar wijzer van kan worden!
Het denken vanuit het Rijk Gods verhindert dat we ons opsluiten in de kerk en exclusief van binnen naar buiten gaan denken. Door de concentratie op het Rijk wordt het perspectief van de gemeente ruimer en elk ecclesiocentisme uitgebannen. De ‘herontdekking’ van het perspectief van het Rijk Gods binnen de Jeruzalemkerk spoort met een bredere ontwikkeling binnen de missionaire theologie.[9] Ik kan daar op deze plek niet al te uitvoerig op ingaan en volsta met een verwijzing naar Daniel de Wolf, gemeentestichter in Rotterdam-Zuid. Hij schreef vrij recent een boek, getiteld De ontdekking van het Koninkrijk. Aan de 12 artikelen van het geloof voegde hij een 13e toe: ‘Ik geloof in het koninkrijk van God’.[10] Dat lijkt mij een prima uitbreiding, waar de kerk veel plezier aan kan beleven. En de samenleving niet minder!

Noten:


[1] Zie voor ‘Amsterdam in beweging voor Jezus Christus’ de site http://amsterdam-inbeweging.nl (geraadpleegd december 2010)
[2] Wie meer wil lezen over enkele deelnemers aan dit platform zie onder andere Gerrit Noort e.a., Als een kerk opnieuw begint. Handboek voor missionaire gemeenschapsvorming, Zoetermeer 2008 en René Erwich, Veelkleurig verlangen. Wegen van missionair gemeente-zijn, Zoetermeer 2008
[3] Loren B. Mead, A Change of Pastors …And How It Affects Change in the Congregation, Herndon 2005
[4] Ben Campbell Johnson, Andrew Dreitcer, Beyond the Ordinary. Spirituality for Church Leaders, Grand Rapids/Cambridge 2001, p. 63. Vergelijk Mary K. Sellon e.a., Redeveloping the Congregation. A How To for Lasting Change, z.p. 2002. Ook zij benadrukken dat de visie vooral een geschenkkarakter heeft. ‘ It is a vision that is given to you and that you welcome, rather than one you create.’ p. 41
[5] Nancy Tatom Ammerman, Pillars of Faith. American Congregations and their Partners, Berkely/Los Angeles 2005, p. 24
[6] Zie voor valkuilen in visieontwikkeling Sake Stoppels, Voor de verandering. Werken aan vernieuwing in gemeente en parochie, Zoetermeer 2009, p. 133 ev.
[7] Een mooi voorbeeld is het volgende mission statement: ‘We willen als gemeente open zijn naar God, naar elkaar en naar de samenleving.’ Zo geformuleerd biedt het nauwelijks impulsen en richting aan het gemeenteleven. Immers, de gemeente zou het eens moeten wagen principieel niet open te willen zijn op een van deze drie terreinen!
[8] Jim Herrington, Mike Bonem, James H. Furr (2000), Leading Congregational Change. The Transformational Journey, San Francisco, p. 49 ev.. Vergelijk ook Nancy T. Ammerman et al. (eds.), Congregational Studies. A New Handbook, Nashville 1998, p. 179, 180
[9] Zo bijvoorbeeld Martin Hoffmann en Martin, Hans-Ulrich Pschierer, Reich Gottes in Werden. Modell einer auftragsorientierten Gemeindeentwicklung, Leipzig 2009
[10] Daniel de Wolf, De ontdekking van het koninkrijk, Vaassen 2009, p. 203


(Dit artikel werd eerder geplaatst in het blad Geestkracht, theologisch tijdschrift van de Charismatische Werkgemeenschap Nederland)

maandag 21 oktober 2013

Voorwoord bij Dallas Willard - Gods geheime plan

(Dit voorwoord schreef ik voor de Nederlandse vertaling van het boek The Divine Conspiracy van Dallas Willard. Het is te vinden in Gods geheime plan.


Het gebeurt niet zo vaak dat mensen zeggen: ‘Dat boek heeft mijn leven veranderd’ (afgezien van de Bijbel dan natuurlijk).  Van het boek dat nu voor u ligt zeiden verschillende mensen dat wel en dat raakte me. Het waren trouwens allemaal schrijvers van boeken over missionair kerkzijn die deze ontboezeming deden op het moment dat ze over The Divine Conspiracy van Dallas Willard schreven. Schrijvers als Dan Kimball, in zijn boek The Emerging Church bijvoorbeeld. En omdat ik als missionair gemeentepredikant in Amsterdam West vanaf mijn bevestiging in 2006 intensief op zoek was naar inspirerende ideeën over christen- en missionair kerk zijn vandaag wilde ik daar meer over weten. Nu ben ik altijd een beetje voorzichtig met uitspraken over ‘levensveranderende ervaringen’ (wanneer weet je immers zeker of die ervaring ook duurzaam is?), toch durf ik wel te zeggen dat de boeken van Willard en dan vooral The Divine Conspiracy ook mijn leven hebben veranderd. Ik ben dan ook heel blij, dat dit boek nu in het Nederlands verkrijgbaar is, zodat het voor veel meer mensen in ons land toegankelijk is geworden.

Wat is het geheim van dit boek? In het korte bestek van deze inleiding stip ik twee dingen aan. Het eerste geheim is, dat Willard misschien wel de eerste  in mijn leven is, die alles wat Jezus ons heeft geleerd zó weet te verwoorden dat het te doen is.  Eerlijk gezegd is mijn grootste worsteling met het onderwijs van Jezus (en misschien vooral met de Bergrede, de magna charta van het Koninkrijk Gods) lange tijd geweest, dat  het me zo verlamde.  Hoe waar en inspirerend ook, het effect van Jezus’ radicale woorden was eigenlijk vooral frustratie, omdat ik het met niet lukte ze te doen.  En met alle respect voor Dietrich Bonhoeffer: zijn klassieker Navolging hielp mij nooit over die verlamming heen, maar versterkte haar juist (een ervaring, die, zo leerde ik uit gesprekken, velen met mij deelden).  Dallas Willard heeft mij over die hobbel heen getild. Hoe hij dat precies doet moet u zelf maar ontdekken, ik hoop dat u dezelfde ervaring hebt.

Een tweede geheim van dit boek is, dat het echt helpt om met in gesprek te komen met niet-christenen.  Willard wijst ons de weg om echt leerling van Jezus te worden en dus diep vertrouwd te raken met de diepe wijsheid die in zijn woorden verborgen ligt.  Misschien ligt het aan mij, maar al studerend in de boeken van Willard ontdekte ik, dat ik Jezus eigenlijk nooit echt als mijn leraar heb gezien. Opgegroeid in een traditie waar het geloof vooral in de termen van Paulus werd verwoord, had ik Jezus als redder leren kennen en omarmd.  Wanneer je echter aan een niet-christen probeert uit te leggen, wat dat redder-zijn van Jezus betekent, moet je eerst een heleboel vooronderstellingen uitleggen.  Wanneer je echter in gesprek raakt  over de woorden van Jezus zelf blijken de lijnen naar de gedachtenwereld van mensen van vandaag veel korter te zijn. Jezus blijkt in zijn onderwijs namelijk allemaal universele thema’s aan te snijden, waar je meteen over in gesprek kunt raken. Uiteraard betekent dit niet, dat het redder-zijn van Jezus er niet (meer) toe doet, maar het gaat over de vraag van het beginpunt van het getuigende gesprek.


Dallas Willard is een toegewijde leerling van Jezus, die niets liever wil dan ook anderen tot leerling maken. Dat is de geheime kracht van dit boek.

zaterdag 19 oktober 2013

Wat heeft de kerk te zoeken in de kunst?

De Jeruzalemkerk heeft zich de afgelopen paar jaar in allerlei opzichten gericht op de kunst. We hebben een podium geboden aan musici en beeldende kunstenaars uit de buurt, we hebben samen met kunstenaars kunstprojecten gedaan, we hebben gesprekken gevoerd met creatieve geesten in De Baarsjes, kortom: we hebben geprobeerd om van de Jeruzalemkerk op allerlei momenten een kruispunt van geloof, kunst en cultuur te maken. Dat leverde veel mooie, interessante, spannende en soms ook ontroerende momenten op. Het was een boeiend en dynamisch gebeuren.

Toch kun je je afvragen: Heeft de kerk geen belangrijker dingen te doen en leidt al die aandacht voor kunst en cultuur niet veel te veel af van de kern van onze missie, namelijk de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane?

Die vraag wordt nog toegespitst als we beseffen in welke traditie we als Jeruzalemkerk staan. We staan in de calvinistisch-gereformeerde traditie en we weten allemaal dat juist die traditie de vanouds op zijn minst nogal kritisch stond ten opzichte van kunst en cultuur. En dus is de vraag: als onze voorouders zo terughoudend waren als het om kunst en cultuur ging, kunnen wij er dan wel open voor staan? Verliezen we zo niet ongemerkt een paar essentiële elementen van een op de Bijbel gebaseerde traditie?

Bij nader inzien blijken er juist in onze gereformeerde traditie verschillende redenen te vinden die de aandacht voor kunst en cultuur vanuit de kerk rechtvaardigen.

*Ik begin met een paar gedachten van Johannes Calvijn zelf. Die gedachten put ik uit een lezing die Abraham Kuyper in 1898 hield op de universiteit van Princeton, de 5e van zes zogenaamde Stone Lezingen. Die lezing heet: Het Calvinisme en de kunst. In die lezing stelt hij zich de vraag of het calvinisme inderdaad – zoals vaak gedacht wordt -in de wortel kunstvijandig is. En Kuyper toont dan, met woorden van Calvijn zelf aan, dat deze wel streed tegen misbruik maar in principe een pleitbezorger was van de kunst.

Zo merkt Calvijn bijvoorbeeld in zijn commentaar op Genesis 4:21 (waar over Jubal wordt gezegd dat hij ‘vader is geworden van allen die citer en fluit bespelen’)op, dat het hier gaat om voortreffelijke gaven van de Heilige Geest. God heeft, zo stelt hij, het geslacht van Jubal ‘verrijkt met uitnemende talenten’ en trekt vervolgens de conclusie dat deze kunstvindingen schitterende blijken waren van Gods goedgunstigheid.’

Ik geef nu even een lang citaat van Kuyper, dat helemaal voor zichzelf spreekt. Hij schrijft, opnieuw over Calvijns uitleg van bepaalde Bijbelgedeelten: ‘Sterker nog verklaart hij in zijn commentaar op Exodus, dat ‘alle kunsten uit God vloeien en te eren zijn als goddelijke uitvindingen.’ ‘In alle artes liberales moet, zowel in de gewichtige als de minder gewichtige, Gods lof en glorie worden verheerlijkt. Meer nog, de kunsten zijn ons als troost bij deze lage stand van ons leven geschonken. Ze reageren tegen het ingezonken leven van de natuur.’ Toen zijn collega Cop in Genève tegen de kunst als zodanig ging woeden, nam Calvijn zelfs opzettelijk zijn maatregelen om, zoals hij zelf schrijft, ‘deze onzinnige mens tot gezonder zin en rede terug te brengen.’ Het domme vooroordeel, alsof het gebod tegen de beeldendienst de beeldhouwkunst verbood, noemt Calvijn de moeite der weerlegging niet eens waard. Van de muziek roemt hij, dat ze een wondere, ongelooflijke kracht bezit, om de harten te roeren en neigingen en de zeden te buigen en te verzachten. Onder de schatten des levens, die God ons schonk, om ons te ontspannen en te doen genieten, staat ze zijns inziens bovenaan. En zelfs waar de kunst lager afdaalt en enkel bedoelt de grote hoop te vermaken, snijdt hij ze zo weinig af, dat hij verklaart, hoe men dit soort zinvermaak niet aan het volk moest onthouden. Dit samenvattende mag men dus zeggen, dat Calvijn de kunst in al haar vertakkingen eerde als een gave Gods, nader als een gave van de Heilige Geest; dat hij de machtige uitwerking der kunst op het gemoedsleven ten volle begreep; dat hij haar bestemming zag in het verheerlijken van God die ze ons schonk, in de veredeling van het leven, in het ons schenken van hoger genot, en zelfs van gewoon vermaak; en dat hij, wel verre van in haar slechts een nabootsing der natuur te zien, haar de roeping toeschreef, om ons een hogere werkelijkheid te ontsluiten dan deze zondige en ingezonken wereld ons bood.’

Tot zover Kuyper over Calvijn. Op allerlei punten sluit deze gedachten aan bij de redenen die wij de afgelopen jaren vonden om ons met ik kunst bezig te houden. Ik noem er nu vijf.

*Waarom zouden we ons als kerk met kunst bezig houden? Mijn eerste antwoord zou zijn: Kunst is een gave van God de Schepper. Met de woorden van Calvijn: ‘Alle kunsten vloeien uit God en zijn te eren als goddelijke uitvindingen.’

De eerste reden om met kunst bezig te zijn ligt dus in de scheppingsleer. Godzelf is de Schepper van hemel en aarde en Hij zelf heeft de mogelijkheid om kunst te maken in zijn schepping gelegd. Dat mensen in staat zijn tot het scheppen van schoonheid is een geschenk dat God in zijn schepping heeft gelegd. En hoe kunnen we onze Schepper beter eren dan door de gaven die Hij in de schepping heeft gelegd te ontdekken en te ontwikkelen?

Schoonheid is volgens Kuyper een weerspiegeling van Gods heerlijkheid. Toen God hemel en aarde schiep, van dag tot dag, trok Hij zelf steeds de conclusie dat het goed was. God zelf genoot dus van zijn kunstwerk en dat mogen wij ook doen. Maar het gaat nog verder, want wij mensen zijn naar het beeld van God geschapen. Dat betekent dus, dat wij op allerlei mogelijke manieren het wezen van God mogen weerspiegelen, ook als het gaat om het creatieve. Als mensen die geschapen zijn naar Gods beeld mogen wij zelf ook scheppend bezig zijn met de mogelijkheden die in de schepping zijn gelegd.

Kunst is dus een gave van God de Schepper en maakt dus wezenlijk deel uit van het leven zoals God het bedoeld heeft. In de schone kunsten mag de mens, als zijn beelddrager, schepper naast God zijn. Dat is het eerste. Een geweldig mooi geschenk!

*Het tweede antwoord dat Calvijn ons aanreikt is: Omdat we geloven dat creativiteit een gave van de Heilige Geest is.

Dit antwoord ligt dicht in de buurt van het eerste, maar legt toch een belangrijk ander accent. Als we namelijk over kunst spreken als een scheppingsgave hebben we het over wat God vanaf de oorsprong in zijn wereld heeft gelegd. Maar als we over creativiteit als gave van de Heilige Geest spreken hebben we het vooral over wat God geeft met het oog op de eindbestemming van de wereld. Wat bedoel ik daarmee?

Calvijn was een theoloog die er een diep besef van had dat de schepping zoals hij nu is is aangetast door het kwaad en dus een gebroken schepping is. De mens is nog steeds beelddrager van God, maar dat beeld vertoont wel een diepe barst, veroorzaakt door onze menselijke schuld. En als God de wereld op zijn beloop zou laten zou dat kwaad meer en meer de overhand krijgen. Maar de boodschap van het Evangelie is, dat God zich juist niet bij die gevallen staat van de schepping neerlegt. In tegendeel, Hij heeft het plan opgevat om deze wereld te herscheppen en nieuw te maken. Om dat doel te bereiken werkt God met zijn Geest in deze wereld. Die Geest werkt vernieuwend in de wereld, als voorschot op de grote herschepping die gaat komen.

En als Calvijn dus spreekt over creativiteit als gave van de Geest, dan moeten we dat verstaan tegen die achtergrond. Als voorbeeld noemt hij de kunstenaars in Israël, die door God werden toegerust met de gave van de Geest om het heiligdom tot een gebouw van schoonheid te maken. Juist dat heiligdom, van waaruit de herschepping van het leven en de wereld als het ware gestalte kreeg, vroeg om de beste kunstenaars. In die zin vind ik het in toenemende mate bijzonder dat onze Jeruzalemkerk is geïnspireerd door te tempel in Jeruzalem en geldt als één van de mooiste kerken van de Amsterdamse school. De schoonheid van deze kerk is meer dan een beetje versiering, zij staat in dienst van het goede nieuws dat God de Schepper zijn gevallen schepping niet loslaat, maar op weg is naar het nieuwe Jeruzalem. Creativiteit in dienst van het Evangelie dus. In die zin inspireert het gebouw ons steeds opnieuw tot bezinning op geloof en kunst.

*Het derde antwoord dat we bij Calvijn kunnen vinden is: Kunst is een bron van troost in een wereld vol moeite en zorg. Eerlijk gezegd werd ik heel erg geraakt door deze gedachte van Calvijn. Kunst als bron van troost. Dat is toch prachtig?

Opvallend is, dat Calvijn de muziek het hoogst inschat als het gaat om vertroosting en ontroering. Muziek bezit een ‘wondere, ongelooflijke kracht om harten te roeren’. Het is dan ook niet voor niets dat juist Calvijn zich enorm heeft ingespannen voor de ontwikkeling van kerkmuziek – hij gaf de opdracht om alle Psalmen te berijmen en op muziek te zetten – en dat hij daarvoor de beste dichters en musici van zijn tijd uitkoos.

Muziek troost en roert het hart. Vandaar dat wij van harte ruimte geven aan musici om in ons kerkgebouw muziek te maken. Het is wonderlijk om te merken dat dezelfde muziek in ons kerkgebouw vaak anders werkt dan in het concertgebouw. Ook muziek waar geen woord aan te pas komt kan juist in dit gebouw een boodschap van troost en vreugde zijn.
Het is duidelijk dat muziek een andere laag van ons bestaan raakt. Waar woorden tekort schieten kan muziek een eigen taal spreken.

Kunst kan dus troosten en ontroeren. Die troost zit naar onze overtuiging vooral in de boodschap van het Evangelie, die zondag aan zondag verkondigd wordt. Maar er is ook de troost van de kunst, die des te dieper wordt als zij met het Evangelie gaat samenstemmen. Daar hopen we op.

*Het vierde antwoord dat ik bij Calvijn vind is ook wel heel sprekend: Kunst heeft het vermogen een hogere werkelijkheid te ontsluiten. Ik weet niet helemaal zeker of deze gedachte letterlijk bij Calvijn vandaan komt of dat Abraham Kuyper hem heeft geformuleerd, want het lijkt me voor een Calvijn wel een heel moderne gedachte. Hoe dan ook: het is wel een gedachte die aansluit bij wat we telkens ervaren als we ons met kunst bezig houden.

Kunst heeft het vermogen een hogere werkelijkheid te ontsluiten. Ik geef een voorbeeld van een kunstproject waarin dat gebeurde. Vorig jaar hebben we samen met een kunstenaarscollectief een project gedaan rondom het onkruid in de kerktuin. Ja, u hoort het goed: het onkruid in de kerktuin. Dit was het idee: de kunstenaars hebben nauwgezet onderzocht welke plantjes er in de tuin groeiden. Zij vonden maar liefst 18 soorten wilde planten en onkruid. Wat zij vervolgens deden was dit: ze schreven een libretto, waarin elk plantje afzonderlijk werd bezongen in zijn kenmerkende eigenschappen. En heel vroeg in de morgen, bij zonsopgang, is dit plantenlied gezongen in een soort schemerdienst. Van te voren hebben we diepgaand met elkaar gesproken wat nu eigenlijk de bedoeling was. Wilden de kunstenaars de natuur aanbidden? Zo ja, dan werd voor ons een grens overschreden. Maar natuuraanbidding was niet de bedoeling. Wat ze eenvoudig wilden was: zo aandachtig mogelijk kijken naar deze vaak geminachte plantjes en al zingend ontdekken dat ze veel bijzonderder zijn dan we denken. En toen ik daar een meditatie bij mocht maken ontdekte ik dat nu precies is wat genade is: wat door mensen wordt geminacht wordt door God gezien en aanvaard. Zo ontsloot dit kunstproject een hogere werkelijkheid, die ik nooit meer vergeten zou. Onkruid dat de kerk werd binnengezongen bleek, juist in die ruimte, kruid te zijn. Dat is wat kunst kan doen en op zulke momenten van onthulling hopen we als we als kerk meedoen met de kunst.

*Mijn vijfde antwoord komt niet van Calvijn of Kuyper, maar uit de ervaring van de afgelopen tijd. Het luidt: Kunst draagt bij aan de ontmoeting tussen mensen en de vrede voor de stad. Anders gezegd: kunst dienst ook een missionair doel.

Als Jeruzalemkerk willen we graag een bijdrage leveren aan de vrede in de stad. Dat doen we op allerlei manieren, maar ook via de kunst. Daarbij worden we ook geïnspireerd door de buurt waarin onze kerk staat. De huizen in De Baarsjes zijn grotendeels ontworpen in de stijl van de Amsterdamse School, een stijl die na 80 jaar nog niets aan kracht heeft ingeboet. Het bijzondere is, dat deze stijl werd ingezet voor het socialistische ideaal om voor de gewone man huizen te bouwen die functioneel én mooi waren. Want de overtuiging was: schoonheid draagt bij aan het goede leven. Een bijna profetisch inzicht dus, dat tot op de dag van vandaag nog voelbaar is in de buurt. En bij dat inzicht sluiten wij ons in onze kerkelijke presentie in de buurt graag aan.

Maar de vrede in de buurt wordt ook bevorderd door ontmoetingen tussen mensen. Die ontmoetingen vinden plaats in de diensten op zondag, maar ook, en weer anders, als de kerk open is voor bijvoorbeeld een concert. Dan wordt de kerk weer op een andere manier een huis van de buurt en zo was onze kerk ook bedoeld: gebouwd aan en zelfs ín een huizenblok; dicht bij God en dicht bij de mensen. Zo hebben we al aardig wat mooie ontmoetingen gehad en van het een komt soms het ander en dat laten we maar gewoon gebeuren.


*Waarom zouden we ons als kerk met kunst en cultuur bezig houden? Het antwoord is: omdat kunst bedacht is door de schepper, wordt geïnspireerd door de Geest, troost brengt, openingen maakt naar boven en de vrede in de stad dient. Er zijn nog veel meer redenen, maar hier kunnen we het voorlopig mee doen.

donderdag 17 oktober 2013

Stanley Hauerwas - Een robuuste kerk

(Leesimpressie bij het boek Een robuuste kerk van Stanley Hauerwas)



In de Jeruzalemkerk zijn we de afgelopen jaren volop bezig geweest met de vragen rondom missionair kerk-zijn in stad. We hadden het gevoel dat heel veel kernthema’s opnieuw doordacht en verwoord moesten worden en dus was ik volop op zoek naar inspirerende denkers en voorbeelden. Opvallend genoeg vond ik die toch vooral in het Engelse taalgebied. Tim Keller en het Redeemer-netwerk gaven veel te denken over kerk zijn in de stad, Dallas Willard opende mijn ogen voor discipelschap en karaktervorming,  Richard Foster en Robert Webber wezen de weg naar vroegkerkelijke bronnen van spiritualiteit en geestelijke vorming en Walter Brueggemann en Tom Wright reikten inspirerende bijbels-theologische kaders aan. Ik heb Hauerwas dus gelezen in bovenstaand rijtje en constateer allereerst dat er veel gemeenschappelijk thema’s zijn. Hoe eigenzinnig ook: Hauerwas maakt deel uit van een beweging van theologen die vanuit een scherp besef van de realiteit van de secularisatie en marginalisering van de kerk op zoek zijn naar de essentie van geloven en kerk zijn vandaag. Veel van wat hij schrijft over discipelschap, deugdethiek en karaktervorming en de betekenis van de gemeenschap was voor mij een bevestiging van wat ik bij anderen las en wat we inmiddels zelf in onze gemeente aan het beproeven zijn. Ik heb hem van harte toegevoegd aan de galerij van inspirerende denkers vandaag. In deze bijdrage noem ik twee punten waarin Hauerwas zich wat mij betreft onderscheidt.

De doorslaggevende betekenis van de gemeenschap
Eén van de eerste dingen die me opvielen was de enorme betekenis die Hauerwas toekent aan de gemeenschap van de gemeente. Van individualisme – ook van de gelovig piëtistische variant- moet hij niets hebben en die overtuiging doorgloeit werkelijk alles wat hij schrijft. Of het nu om discipelschap gaat, om geestelijke oefeningen en karaktervorming, om preken of om Bijbellezen: steeds is de gemeenschap van de gemeente noodzakelijk kader. Uit alles blijkt dat Hauerwas gelooft in de Bijbelse betekenis van de gemeenschap, maar altijd blijft dit geloof geworteld in de realiteit van het leven. Steeds klinkt het besef door dat ook de beste christelijke gemeenschap uit mensen bestaat en dat dit betekent dat er conflicten zullen zijn. Maar juist daarom is de gemeente de beste plek om deugden te oefenen en te groeien in een karakter naar het beeld van Christus. Het zijn precies deze noties waar ik de afgelopen paar jaar in de gemeenschap van onze stadsgemeente veel meer oog voor heb gekregen. In een stad waarin veel bewoners losgeslagen individuen zijn geworden is de christelijke gemeenschap een unieke oefenplek voor het leven.

Eigenzinniger en dwarser dan me lief is

Wat me echter vooral bijblijft bij Hauerwas is zijn pleidooi voor een kerk die zich vooral richt op de essentie van het Evangelie. Hauerwas is uiterst kritisch over pogingen om aansluiting te vinden bij universele en dus gedeelde waarden in de samenleving. Zijn niet te missen pleidooi aan het adres van de kerk is: houd je bij het grote verhaal van het Evangelie van Jezus Christus, leef daar naar, van harte en radicaal en laat dat de bijdrage zijn aan de maatschappij en de cultuur. Om eerlijk te zijn voelde ik me vooral op dat punt betrapt, want ik realiseerde me dat veel van onze missionaire initiatieven bewust of onbewust juist naar die aansluiting  zoeken. Hauerwas is dus veel dwarser en eigenzinniger dan me lief is en hij heeft daar goede Bijbelse papieren voor. Hij is ook in Nederland niet de eerste die dat roept –Van de Beek, Kennedy-  maar na het lezen van Hauerwas zou ons missionaire werk wel eens een accentsverschuiving kunnen meemaken. We gaan het zien.

(Eerder gepubliceerd in Kontekstueel, Tijdschrift voor gereformeerd belijden nu)

zondag 29 september 2013

Van gewoon tot missionair predikantschap

(Deze inleiding hield ik op februari 2010 voor studenten theologie, in hun laatste cursus op het theologisch seminarium Hydepark in Doorn)


Hoe het gegaan is
Ik heb als predikant altijd wel een missionair hart gehad, maar pas in de loop van de tijd kreeg het missionaire aspect van mijn predikantschap vorm. In mijn eerste gemeente (Hulshorst) moest ik het vak leren, daar had ik mijn handen aan vol, maar ik was altijd wel erg geïnteresseerd in de mensen van de rand.
In Gouda begon ik als gewoon gemeentepredikant, een taak die in Gouda de prediking centraal heeft staan. De komst en het succes van de Alpha Cursus stelde ons als gemeente echter voor indringende vragen over drempels voor zoekers. Er werd een missionair team gevormd, waarin deze vragen grondig werden bestudeerd. Ik werd lid van dat team en ging meer en meer de zich ontwikkelende visie op missionair gemeentezijn belichamen. Dat was nodig en belangrijk, want alleen zo kon het missionaire denken werkelijk deel worden van het hart van het gemeentezijn. Ik heb deze ontwikkeling als een tweede roeping ervaren, bovenop de eerste waarmee ik naar Gouda werd geroepen.
In 2006 werd ik in Amsterdam beroepen. In de profielschets waren door de gemeente duidelijke keuzes gemaakt: de nieuwe predikant moest  missionair-gemeentepredikant worden.  Een predikant, kortom, die een deel van het klassieke predikantswerk doet, maar een deel van zijn tijd heel nadrukkelijk met missionair werk in de weer is. Op dat beroep heb ik met hart en ziel ja gezegd.

Belangrijke en noodzakelijke voorwaarden om missionair (gemeentepredikant) te kunnen zijn
Onderweg heb ik het één en ander ontdekt over belangrijke en noodzakelijke voorwaarden voor een missionair predikantschap. Ik som puntsgewijs wat van die ontdekkingen op.

-Missionair predikantschap is geen manier van doen maar een manier van zijn
Al gaande de weg ontdekte ik, dat een missionaire houding voor mij meer en meer een deel van mij zelf werd. In die houding kwamen karaktereigenschappen, gevoel voor cultuur en de nood van de tijd en theologische voeding samen.  Meer en meer werd het voor mij vanzelfsprekend om werkelijk alles in de kerk en mijn werk óók met missionaire ogen te bekijken.  Toen ik  me dat eenmaal bewust was, was er geen houden meer aan. Ook praktische belemmeringen (mijn takenpakket, de andere plichten, etc) konden niet verhinderen dat ik van binnenuit steeds meer missionair predikant werd.

-Zonder een overtuigde keuze van kerkenraad en gemeente gaat het eigenlijk niet
In Gouda liep ik er tegenaan, dat ik er wel een tweede roeping bij kreeg, maar dat dit in de praktijk niet voldoende werd verdisconteerd in mijn takenpakket. Voor alle duidelijkheid: dit is geen verwijt, maar een constatering. Dat het zo liep lag vooral aan de traagheid waarmee een gemeente kan  veranderen in de visie op het predikantschap. Die traagheid zat trouwens ook in mij zelf, want onbewust vond ik het ook moeilijk om een aantal klassieke predikantstaken los te laten ten bate van het  missionaire. Het gevolg was wel, dat ik een aantal jaar voor twee heb gewerkt. In die zin was de overgang naar Amsterdam  een verademing.

-Een aantal klassieke predikantstaken doe ik niet meer
Ik doe op dit moment geen ouderenpastoraat, ook geen intensief pastoraat in crisissituaties. Ook doe ik geen gewone catechese (wel belijdeniscatechese). Stuk voor stuk waren dit gevoelsmatig geen gemakkelijke keuzes, voor mij zelf en voor (sommige) gemeenteleden. Maar de keuze kon gemaakt worden, omdat er vervangers konden worden aangesteld. Mijn voorganger, ds. Chris van Andel, doet nu het ouderen- en een deel van het crisispastoraat, de jongerencatechese is ondergebracht bij de Noorderkerk. Ik voel me daar zeer door gedragen.

-Een aantal nieuwe taken doe ik nu wel
Wat ik veel doe is netwerken. Ik probeer me zoveel mogelijk buiten de muren van de gemeente te bewegen in allerlei mogelijke kringen. Dat kost veel tijd, maar die tijd is ook vrijgemaakt. Ik trek veel tijd uit voor studie, want er is voortdurend veel te doordenken. Ik draai mee in  cursussen voor zoekers en toetreders, voer gesprekken met de deelnemers en doordenk wat ik leer. Ik schrijf een weblog, waarin reflecteer over dingen die ik meemaak in mijn werk. En vooral: ik probeer voorganger te zijn in het missionair gemeente-zijn en dit te belichamen in alles wat ik doe.

-Ik ervaar het missionaire accent als kloppend met het Nieuwe Testament

De ontwikkeling van mijn predikantschap heeft me geleerd met nieuwe ogen naar het Nieuwe Testament te kijken. Meer en meer ben ik gaan ontdekken dat het hele Nieuwe Testament door en door missionair gekleurd is. Een missionaire houding klopt dan ook wonderwel met de geest van het Nieuwe Testament, zelfs ook met geschriften die in onze traditie toch vooral binnenkerkelijk centraal kwamen te staan (denk aan de Romeinenbrief).  Ik ervaar dit als een geweldige bevestiging van de weg die ik gegaan ben. Als missionair-gemeentepredikant ben ik thuisgekomen!