Posts tonen met het label Elders gepubliceerde columns. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Elders gepubliceerde columns. Alle posts tonen

donderdag 16 april 2020

Beoefen opstanding


We zouden deze zomer, met een bevriend stel, naar Kreta gaan. Maar we gingen niet, want de vliegmaatschappij heeft de geplande vlucht gecanceld en ons een voucher gegeven. Op 2e Paasdag hadden we overleg over wat nu. Tijdens het gesprek zei onze vriendin opeens: “Moeten we wel denken over wanneer en hoe we later wél kunnen? Ik heb inmiddels zoveel twijfels gekregen over vliegvakanties. Zeker nu de lucht zo schoon is opeens.” Het was een moment van bewustwording: zal de wereld hierna nog dezelfde zijn en is dat wel de bedoeling? Of moeten we opstaan in een ándere wereld?

Een kernvraag van Pasen
Ik realiseerde me dat dit een kernvraag van Pasen is: staan we op in een nieuwe wereld, in Gods nieuwe wereld? En ik moest meteen denken aan de slotregel van een gedicht van Wendell Berry, waar in deze tijd nogal eens naar verwezen wordt. Die regel luidt: ‘Practice resurrection’. Het is de slotzin van vrij lang gedicht uit 1973 dat als titel kreeg: Manifesto: The Mad Farmer Liberation Front. Berry – die schrijver en dichter is, maar ook boer en milieuactivist -  neemt in zoveel woorden afscheid van de op winst en consumptie gerichte maatschappij en roept op om op te staan in een nieuwe wereld en die opstanding ook in de praktijk te brengen. Dit is hoe die praktijk er uit kan zien:

(..)
So, friends, every day do something
that won’t compute. Love the Lord.
Love the world. Work for nothing.
Take all that you have and be poor.
Love someone who does not deserve it.

(..)
Listen to carrion — put your ear
close, and hear the faint chattering
of the songs that are to come.
Expect the end of the world. Laugh.
Laughter is immeasurable. Be joyful
though you have considered all the facts.


Beoefen opstanding
Berry maakt me ervan bewust dat opstanding (ook) om oefening vraagt. Het is een geschenk, dat allereerst, maar wel een geschenk waar we uit moeten leren leven. En dat vraagt om oefening. Hoe ziet oefening in opstanding eruit? Berry leert me drie dingen:

1. Wees je bewust van de onhoudbaarheid van de oude wereld.
Het gedicht van Berry opent met deze regels:

Love the quick profit, the annual raise,
vacation with pay. Want more
of everything ready-made. Be afraid
to know your neighbors and to die.

Deze zinnen verwoorden het oude denken en de uiteindelijke onhoudbaarheid ervan. Het streven naar snelle winsten, naar groei, naar instant-ervaringen ver weg in plaats van dichtbij. Al die dingen dus waar wij in afgelopen paar jaar weer zo vertrouwd mee waren (wanneer was de vorige crisis ook alweer?) Het begon steeds meer te knagen, bij steeds meer mensen, maar het was bijna onmogelijk om uit deze collectieve levenswijze te stappen. Er was een virus voor nodig om ons stil te zetten. Om echt ruimte te maken voor de vraag van onze vriendin: moeten we wel geloven dat we hier naar terug gaan? COVID-19 heeft, voor nu, een kruis gezet door het oude normaal. Dat is de taal van Goede Vrijdag. Willen we terug naar dat normaal, of laten we het sterven?

2. Richt je op de liefde in plaats van op wat na te rekenen valt
In het tweede stukje pleit Berry voor een wat je de ‘economie van de liefde’ zou kunnen noemen. Doe elke dag iets wat niet in cijfers is uit te drukken, heb lief en: werk voor niets! Leef, met alles wat je bezit, als een arme: bezittend alsof je het niet bezit. In het besef dus: we zijn rentmeesters, geen bezitters. Wat ons is toevertrouwd mogen we in liefde beheren, niet beheersen. Gaat deze crisis ruimte maken voor die liefde? De liefde voor hen die het veel minder hebben, de liefde voor de wereld (de levende schepping) en, ja dat ook, de liefde voor God? Vraag je af of er een andere economie denkbaar is. Die van de liefde!


3. Luister en kijk aandachtig om je heen
Het derde stukje leert ons het belang van luisteren en kijken. Luister naar wat er echt gebeurt, om je heen, in de werkelijkheid. Leef niet met illusies, maar met de waarheid. En de waarheid is, dat in schepping om ons heen een proces van sterven en opstaan gaande is. Luister daarom naar wat doodgaat in de natuur, ‘listen to carrion’, dat betekent: luister naar rottende karkassen in de natuur. Ze herinneren ons eraan dat dieren doodgaan, dat dat de weg van het leven is. Maar luister tegelijk (deze lente!) naar de ‘faint chattering of the songs that are to come’. Je luistert er gemakkelijk langsheen, maar vogels zingen het lied van het nieuwe leven dat komt. Hoor je het? Geloof je het? Hoop je het? Mag de schepping weer tot je spreken, om je het leven te leren?


Mijn antwoord
Ik weet nog niet precies wat mijn, wat ons antwoord zal zijn op die vraag van Pasen. Maar ik weet wel dat ons een vraag gestéld is. Een hele diepe. De vraag: in welke wereld ga je opstaan en ga je die opstanding dan ook echt beoefenen? We hebben om te beginnen vrienden en dichters als Berry nodig om die vraag in alle eerlijkheid op te werpen.

Zie voor het hele gedicht en bronvermelding:


Eerder gepubliceerd op de Keepthefaith.nl


vrijdag 5 september 2014

Bijdrage aan het Theologisch Elftal, verschenen in Trouw op vrijdag 5 september 2014

Ophef rond een vrijwillig einde: het blijft nodig

“Wat je ziet in de euthanasiedebat is dat er telkens twee fundamentele waarden op elkaar bosten. Aan de ene kant die van de persoonlijke autonomie: het verlangen van mensen om zélf te kunnen beslissen, ook over hun levenseinde. Daar tegenover staat de waarde van de gemeenschap: de belangen, gevoelens en verantwoordelijkheden van de mensen om dit individu heen. Die botsing zie je bij deze twee cases van de Levenseindekliniek heel scherp naar voren komen.
Mensen die een wilsverklaring opstellen, doen dat in eerste instantie geïsoleerd. Ze schrijven op wat zíj willen. Dit is hún beslissing. En als ze dat hebben opgeschreven denken ze: ‘zo, nu is het geregeld’. Maar als het erop aankomt blijkt die autonomie toch een illusie te zijn. Je kunt honderd keer opgeschreven wat je wilt dat er later met je zal gebeuren, maar kom je uiteindelijk in de situatie dat die wilsbeschikking van toepassing wordt, dan zal de wetgever toch altijd nog zeggen: ‘dit moet eerst getoetst worden’. De artsen zullen nog steeds die hun eigen inschatting moeten maken. Het is onmogelijk om twintig jaar van tevoren te overzien wat de situatie zal zijn. Want er zullen altijd, hoe je het ook wendt of keert, andere mensen bij betrokken raken. Artsen, verpleegkundigen, familie. En die heb je als individu niet helemaal in eigen hand.
Euthanasie is geen zaak van het individu alleen. Elke keer als er euthanasie gepleegd wordt, is dat ook iets wat de gemeenschap aangaat. Daarom is het zo’n veelbesproken onderwerp op straat en in de media. Dit raakt de samenleving. We moeten euthanasie dus nadrukkelijk in dat verband blijven zien. Ik ken de details niet, maar het lijkt erop dat de Levenseindekliniek te veel aan de kant zijn gaan hangen van het individu. Ze zijn een soort belangengroep, en zoals elke belangengroep loopt die het gevaar zozeer de eigen mensen te willen dienen dat de zorgvuldig eronder lijdt.
Afgelopen week preekte ik uit Paulus’ brief aan de Efeziërs, het vierde hoofdstuk. Daarin gaat het over mondigheid. Het is de bedoeling, schrijft Paulus, dat gelovigen mondig worden, geestelijk volwassen. Frappant is dat de context waarin hij dit zegt heel nadrukkelijk gaat over de gemeenschap, waarin hij oproept elkaar vast te houden. Bij hem heeft mondigheid ook te maken met zorg voor de ander, met verantwoording kunnen afleggen aan elkaar. En natuurlijk aan God.
Hoe erg is een verpleeghuis? Is het een goede grond voor euthanasie? Ik vind het lastig hier een oordeel over te vellen. Ik las een reactie van iemand wiens vrouw al drie jaar in verpleeghuis zat tot ze overleed. Hij had daar vrede mee, zei hij. ‘Het is goed voor ons geweest. We moeten er niet zo bang voor zijn.’ Het is belangrijk dat we in gesprek blijven met elkaar. Het is niet genoeg dat je zegt: maar dit is nu eenmaal wat ík wil. Er zijn ook ervaringen van anderen waar we als gemeenschap naar moeten luisteren. Omdat we steeds op zoek zijn naar het antwoord op die ene hamvraag: wat is precies ondraaglijk lijden, en wie bepaalt dat? In een seculiere, geïndividualiseerde samenleving komen die vragen steeds meer op scherp te staan.
Iemand schrijft in een wilsverklaring dat hij later in geen geval naar een verpleeghuis wil. Twintig jaar later moet die persoon opgenomen worden in een verpleeghuis. Hij is inmiddels wilsonbekwaam. Lijdt hij ook ondraaglijk, zoals hij twintig jaar eerder zelf inschatte? Op dat moment moet je voor de beslissing tot euthanasie over te gaan, de keuze maken: naar wie luisteren we? De twintig jaar jongere versie van deze persoon? Of naar de omgeving, die op dit moment probeert in te schatten hoe ondraaglijk het lijden van de persoon in kwestie is? Ik kan daar natuurlijk geen absoluut antwoord op geven, maar in het algemeen ben ik toch geneigd de stem van de gemeenschap zwaar te laten meewegen.



vrijdag 29 augustus 2014

Mindful met Jezus

Philip Troost, Mindful met Jezus

Recensie voor Friesch Dagblad, augustus 2014


Mindfulness is in Nederland met een gestage opmars bezig. Steeds meer mensen zoeken in onze gestresste tijd hun heil bij deze meditatieve techniek, die zijn oorsprong heeft in het boeddhisme. Als ik in dit verband de uitdrukking ‘heil zoeken’ gebruik moet ik wel even nuanceren. Voor veel mensen is mindfulness geen religieuze heilsweg, maar eerder een oefening in psychisch welbevinden. Dit was ook precies de bedoeling van de Amerikaanse hoogleraar psychiatrie, dr. Jon Kabat-Zinn, die het begrip mindfulness als eerste uit de boeddhistische context haalde, om het op die manier bruikbaar te maken voor de medische praktijk. Inmiddels hebben zo ook veel christenen die last hebben van piekeren of stress kennisgemaakt met deze aandachtsoefeningen.

Toch blijft het een spannende vraag of we deze van oorsprong boeddhistische praktijk als waardeneutraal kunnen beschouwen. Haalt de kerk daarmee niet een paard van Troje binnen? Met die vraag begint Philip Troost zijn boekje Mindful met Jezus. Troost werkt in een praktijk voor transpersoonlijke therapie en pastoraat. Hij houdt zich al zo’n dertig jaar bezig met vormen van mindfulness. Hij is er van overtuigd dat deze praktijk heilzame kanten heeft, en hij vindt  dat christenen er dankbaar gebruik van mogen maken. Het is een ‘mogelijkheid’ die God zelf in zijn schepping heeft gelegd.  Met een zekere felheid schrijft hij in zijn inleiding: ‘Ik voel me echt pijnlijk verontwaardigd over hoeveel moois van God wij als westerse christenen zijn kwijtgeraakt, en dat ik vaak niet-christenen nodig heb en oosters georiënteerde denkers om hier achter te komen.’ En  even later: ‘In de cultuur van de oosterse religies heeft men gemakkelijker feeling kunnen houden met bepaalde levenswetten en wijsheden die God in de schepping heeft gelegd, dan wij hier in het Westen.’ In deze lijn  ontwerpt hij in zijn boek dan ook geen mindfulnessprogramma met een christelijk sausje, maar een ‘eigen programma met daarin alle basisingrediënten van de “gewone”  mindfulnesstraining verwerkt. We pakken als het ware terug wat we als westerse christenen kwijtgeraakt waren.’

Ik vind in de inzet en aanpak van Troost in veel opzichten vruchtbaar en overtuigend. Op creatieve wijze brengt hij de verschillende basisingrediënten van mindfulness in verbinding met de grote bijbelse en christelijke thema’s. Mooi vond het ik het hoofdstuk ‘Genieten van genade’, waarin hij duidelijk maakt hoe de bijbelse genadeleer kan leiden tot een praktijk van ‘aanvaarden wat er is zonder te oordelen’ - een van de kernnoties van mindfulness. Sprekend vind ik ook zijn voorstel om de term ‘inwezigheid’ te gebruiken als aanduiding van het ‘afstemmen’ op de Gods aanwezigheid in het geschapen leven hier en nu.
Maar een beetje gekunsteld is zijn redeneertrant af en toe wel. Troost maakt graag gebruik van woordspelingen die hem helpen om verbindingen te maken die theologisch-inhoudelijk nogal hachelijk zijn. Maar dat doet niets af van het feit dat Troost een overtuigend pleidooi houdt om de behulpzame kanten van mindulness niet ongebruikt te laten liggen. Voor mijn eigen bezinning op de kerkelijke praktijk in Amsterdam helpt dit in elk geval zeer, want hoe je het ook wendt of keert: mindfulness is voor de kerk van vandaag een groeiende uitdaging.




woensdag 14 mei 2014

Orthodox en vernieuwend

Bijdrage aan het EO-symposium ‘Kerk in verval .. of in verandering?’.

Het gehele symposium, inclusief deze bijdrage, is te bekijken op:


De Jeruzalemkerk in Amsterdam-West kent een bewogen geschiedenis van verandering, verval en wederopstanding. In de snel veranderende cultuur van de stad en de buurt moest ze zichzelf steeds opnieuw uitvinden, regelmatig balancerend op het randje van de afgrond. Anno 2014 is de Jeruzalemkerk een jonge, vitale maar ook kwetsbare gemeenschap in een dynamische buurt van de stad. Een gemeente die onderweg zaken en mensen verloren is, maar ook telkens weer nieuwe mensen weet te verbinden, de laatste tijd in toenemende mate ook nieuwe gelovigen.

Wat houdt onze gemeenschap staande en gaande op dit moment? Feit is dat we steeds minder kunnen terugvallen op geijkte en vertrouwde kaders. Of het nu gaat om liturgische vormgeving, om de definitie van lidmaatschap en zelfs als het gaat om de leer: op niets van dit alles kunnen we nog vanzelfsprekend terugvallen. Telkens moeten we zoeken naar manieren waardoor mensen zich kunnen verbinden aan Christus en de gemeenschap van zijn leerlingen. Dat dit spannend is en voor sommige mensen bijna ondraaglijke onzekerheid met zich meebrengt hoef ik neem ik aan niet uit te leggen.

Toch zitten we de afgelopen jaren doorgaans niet in de verliesmodus, integendeel. Met vreugde en hernieuwde energie zijn we gaan ontdekken dat al die op het eerste gezicht onzekere factoren ook veel ruimte bieden voor herontdekking van het evangelie en voor de ontmoeting met zoekers die vinders worden. We zijn een soort laboratorium voor de kerk van de toekomst geworden, om een uitdrukking van Stefan Paas te gebruiken.

Het wegvallen van afgebakende buitengrenzen van de gemeente stimuleerde ons om te ontdekken wat ons samenbindt vanuit de kern. Jaren geleden vond ik daarvoor bij Hirsch en Frost, in hun boek The Shaping of Things to Come, een metafoor die prominent in ons beleidsplan terecht is gekomen. In Australië hebben veeboeren vaak enorme kuddes die ze weiden op enorme vlakten. Daarbij is het ondenkbaar de kudde bij elkaar te houden door een hek. Wat ze doen is dit: ze brengen de dieren bij een bron, waar de dieren uit drinken, even vandaan lopen en weer terugkeren. Zo wordt de kudde vanuit de bron bijeen gehouden.

En eigenlijk is dat op dit moment het geheim van onze gemeente. In het hart van de gemeenschap ligt de open bijbel, in alle kwetsbaarheid, als bron van levend water. De bijbel dus, niet een kerkelijke leer of een geijkte visie. De bijbel, die in alle veelkleurigheid aan het woord mag komen. En rondom de bijbel verzamelen zich mensen, in kerkdiensten, in cursussen, op kringen, in persoonlijke gesprekken. Vaak gebeurt dat op de galerij in de kerk, die we inmiddels hebben verbouwt tot ontmoetingsruimte en waar we, bij kaarslicht en met eten ontmoeting organisren. We hebben een bijbelklasje waar 5 a 6 mensen zonder enige kerkelijke achtergrond onbevangen zitten te lezen. We hebben een verdiepingscursus waar zoekers en belijdeniscatechisanten samen optrekken om, volgens het oecumenisch leesrooster, te ontdekken wat de bijbel in hun leven betekent. En in cirkels daaromheen organiseren we  bijvoorbeeld filmavonden voor de buurt waar we 300 aanwezige jonge hippe Amsterdammers dan vrijmoedig uitnodigen om ook eens bijbel te komen lezen wat sommigen nog doen ook.

En op een of andere manier is het gelukt om daar ruimte te scheppen voor heel verschillende mensen. Mensen ervaren ruimte om vanuit hun eigen zoektocht en met hun eigen gedachten te proeven hoe het levende water van de Bijbelse boodschap smaakt. Ruimte om in hun eigen tempo te groeien en tot overgave aan Christus te komen. Niet vrijblijvend, maar ook niet dwingend. Het is de ruimte van de vrijheid in Christus, denk ik.

Misschien is dat wel mijn grootste ontdekking in mijn Amsterdamse jaren. Dat orthodoxie niet gelijk staat aan starre stolling, maar juist ruimte schept voor steeds weer nieuwe mensen om zich te verbinden met Jezus Christus en zijn gemeenschap. In de afgelopen drie jaar lieten 7 nieuwe gelovigen zich dopen in de Paasnacht (door onderdompeling trouwens, omdat dat symbool paste bij de radicaliteit van hun geloofskeuze). Een grotere groep haakte niet af maar bleef of raakte verbonden. Met elkaar proberen we zo te leven in de ruimte die God schept met zijn eigen woorden. Een ruimte die open is naar buiten, met alle kwetsbaarheden en kansen van dien. In die ruimte geloof ik, te midden van alle afval en verandering.


Als ik tenslotte drie adviezen mag geven: schep ruimte, geloof in de kracht van de bijbel en vrees niet op de rand van de afgrond.

maandag 14 april 2014

De doop als beeld van Goede Vrijdag en Pasen

Pasen is het grote feest van de kerk. Zo groot, dat je er als het er op aankomt geen woorden voor hebt. Zeker als het om de vraag gaat wat Pasen nu eigenlijk voor je eigen leven betekent. En hetzelfde kun je zeggen over Goede Vrijdag.

Ik geloof dat het met Goede Vrijdag en Pasen allereerst om feiten gaat. Gebeurtenissen in het leven van Jezus, bijna twee duizend jaar geleden, in een land ver weg. Jezus vond de dood aan een romeins kruis, nadat hij door zijn eigen volk als valse Messias verworpen was. Na drie dagen kwam de een na de ander vertellen dat het graf leeg was en dat zij of hij Jezus als levende had ontmoet. Hij is opgestaan uit de dood, zeiden ze. En ik geloof ze. Ik geloof dat dit gebeurd is.

Maar raakt wat toen en daar gebeurde mijn leven? Ons leven? Een deelnemer van de bijbelklas die ik geef kon zich dat niet voorstellen. Niet dat het gebeurd was. Maar zelfs als het zo was ook niet dat het verschil zou maken voor haar leven. De afstand in tijd en plaats was eenvoudig te groot voor haar.

Toch geldt dit niet voor iedereen. Op de avond voor Pasen, tijdens de Paaswake, worden in de Jeruzalemkerk vier mensen gedoopt. En op eerste Paasdag spreken drie anderen uit dat ze de doop die ze als kind ondergingen voor hun eigen rekening willen nemen. Ze legden hiervoor allemaal hun eigen weg af – sommigen werden christelijk opgevoed, anderen helemaal niet – maar toen het er op aankwam maakten ze allemaal dezelfde keuze. De keuze om in verbondenheid met Jezus Christus te leven. Waarom? Omdat ze geloven en ervaren dat geloven betekent: sterven en opstaan met hem.  Wat sterft is wat de bijbel noemt ‘het oude leven’: de verlangens en overtuigingen die uiteindelijk niet het leven brengen zoals het bedoeld is. Die een mens ten diepste met een diepe leegte in de ziel achterlaten. Die zo veelbelovend lijken maar toch doodlopen. En wat opstaat is dan ‘het nieuwe leven’: nieuwe gedachten, nieuwe verlangens en overtuigingen je tot je ware bestemming brengen. Die een innerlijke vreugde geven die blijft. Die een weg van leven opent, echt leven.

Degenen die zich in de Paaswake laten dopen zullen helemaal onder water gaan. Kopje onder, met de woorden ‘met Jezus Christus ben je gestorven en begraven’.  En dan, na even onder water te hebben gelegen, begraven in met Jezus, staan ze weer op en als ze boven water komen horen ze ‘… en met hem sta je op in een nieuw leven.’

Het is nu voor het derde jaar op rij dat we in de Paaswake op deze manier nieuwe gelovigen dopen. En ieder jaar ben ik beter gaan begrijpen wat Goede Vrijdag en Pasen met ons leven te maken heeft. Die doop maakt het voor ons allemaal zichtbaar: voor degenen die hem ondergaan, voor degenen die de dag erna hun eigen kinderdoop zullen beamen en voor iedereen die wordt uitgenodigd naar voren te komen om stil te staan bij het water van de doop.

Uiteraard begrijp ik nog steeds niet wat precies het geheim van de dood en opstanding van Jezus is. Als het er op aan komt heb ik er geen woorden voor. Maar bij het water van de doop wéét ik waar het over gaat. Wéét ik dat het over ons, over mij gaat. Jezus is gestorven, begraven en opgestaan. Ook voor ons, ook voor mij!