Posts tonen met het label Theologie en samenleving. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Theologie en samenleving. Alle posts tonen

donderdag 16 april 2020

Beoefen opstanding


We zouden deze zomer, met een bevriend stel, naar Kreta gaan. Maar we gingen niet, want de vliegmaatschappij heeft de geplande vlucht gecanceld en ons een voucher gegeven. Op 2e Paasdag hadden we overleg over wat nu. Tijdens het gesprek zei onze vriendin opeens: “Moeten we wel denken over wanneer en hoe we later wél kunnen? Ik heb inmiddels zoveel twijfels gekregen over vliegvakanties. Zeker nu de lucht zo schoon is opeens.” Het was een moment van bewustwording: zal de wereld hierna nog dezelfde zijn en is dat wel de bedoeling? Of moeten we opstaan in een ándere wereld?

Een kernvraag van Pasen
Ik realiseerde me dat dit een kernvraag van Pasen is: staan we op in een nieuwe wereld, in Gods nieuwe wereld? En ik moest meteen denken aan de slotregel van een gedicht van Wendell Berry, waar in deze tijd nogal eens naar verwezen wordt. Die regel luidt: ‘Practice resurrection’. Het is de slotzin van vrij lang gedicht uit 1973 dat als titel kreeg: Manifesto: The Mad Farmer Liberation Front. Berry – die schrijver en dichter is, maar ook boer en milieuactivist -  neemt in zoveel woorden afscheid van de op winst en consumptie gerichte maatschappij en roept op om op te staan in een nieuwe wereld en die opstanding ook in de praktijk te brengen. Dit is hoe die praktijk er uit kan zien:

(..)
So, friends, every day do something
that won’t compute. Love the Lord.
Love the world. Work for nothing.
Take all that you have and be poor.
Love someone who does not deserve it.

(..)
Listen to carrion — put your ear
close, and hear the faint chattering
of the songs that are to come.
Expect the end of the world. Laugh.
Laughter is immeasurable. Be joyful
though you have considered all the facts.


Beoefen opstanding
Berry maakt me ervan bewust dat opstanding (ook) om oefening vraagt. Het is een geschenk, dat allereerst, maar wel een geschenk waar we uit moeten leren leven. En dat vraagt om oefening. Hoe ziet oefening in opstanding eruit? Berry leert me drie dingen:

1. Wees je bewust van de onhoudbaarheid van de oude wereld.
Het gedicht van Berry opent met deze regels:

Love the quick profit, the annual raise,
vacation with pay. Want more
of everything ready-made. Be afraid
to know your neighbors and to die.

Deze zinnen verwoorden het oude denken en de uiteindelijke onhoudbaarheid ervan. Het streven naar snelle winsten, naar groei, naar instant-ervaringen ver weg in plaats van dichtbij. Al die dingen dus waar wij in afgelopen paar jaar weer zo vertrouwd mee waren (wanneer was de vorige crisis ook alweer?) Het begon steeds meer te knagen, bij steeds meer mensen, maar het was bijna onmogelijk om uit deze collectieve levenswijze te stappen. Er was een virus voor nodig om ons stil te zetten. Om echt ruimte te maken voor de vraag van onze vriendin: moeten we wel geloven dat we hier naar terug gaan? COVID-19 heeft, voor nu, een kruis gezet door het oude normaal. Dat is de taal van Goede Vrijdag. Willen we terug naar dat normaal, of laten we het sterven?

2. Richt je op de liefde in plaats van op wat na te rekenen valt
In het tweede stukje pleit Berry voor een wat je de ‘economie van de liefde’ zou kunnen noemen. Doe elke dag iets wat niet in cijfers is uit te drukken, heb lief en: werk voor niets! Leef, met alles wat je bezit, als een arme: bezittend alsof je het niet bezit. In het besef dus: we zijn rentmeesters, geen bezitters. Wat ons is toevertrouwd mogen we in liefde beheren, niet beheersen. Gaat deze crisis ruimte maken voor die liefde? De liefde voor hen die het veel minder hebben, de liefde voor de wereld (de levende schepping) en, ja dat ook, de liefde voor God? Vraag je af of er een andere economie denkbaar is. Die van de liefde!


3. Luister en kijk aandachtig om je heen
Het derde stukje leert ons het belang van luisteren en kijken. Luister naar wat er echt gebeurt, om je heen, in de werkelijkheid. Leef niet met illusies, maar met de waarheid. En de waarheid is, dat in schepping om ons heen een proces van sterven en opstaan gaande is. Luister daarom naar wat doodgaat in de natuur, ‘listen to carrion’, dat betekent: luister naar rottende karkassen in de natuur. Ze herinneren ons eraan dat dieren doodgaan, dat dat de weg van het leven is. Maar luister tegelijk (deze lente!) naar de ‘faint chattering of the songs that are to come’. Je luistert er gemakkelijk langsheen, maar vogels zingen het lied van het nieuwe leven dat komt. Hoor je het? Geloof je het? Hoop je het? Mag de schepping weer tot je spreken, om je het leven te leren?


Mijn antwoord
Ik weet nog niet precies wat mijn, wat ons antwoord zal zijn op die vraag van Pasen. Maar ik weet wel dat ons een vraag gestéld is. Een hele diepe. De vraag: in welke wereld ga je opstaan en ga je die opstanding dan ook echt beoefenen? We hebben om te beginnen vrienden en dichters als Berry nodig om die vraag in alle eerlijkheid op te werpen.

Zie voor het hele gedicht en bronvermelding:


Eerder gepubliceerd op de Keepthefaith.nl


maandag 21 september 2015

Muziek brengt verlangens van mensen onder woorden


Interview met Diane Palm, septembernummer Generator, magazine voor leidinggevenden in het jongerenwerk
Uitgave HGJB




Muziek hoort bij het leven van ds. Bas van der Graaf uit Amsterdam. Een goede reden dus om hem te bevragen op de rol die muziek speelt in zijn omgang met God. Bij de start van het gesprek klinkt enige aarzeling. ‘Het zou mooi zijn als meer predikanten voor dit onderwerp te benaderen waren. Maar vooruit…’

Neem ons eens mee, welke weg heeft muziek in je eigen leven afgelegd?
‘Ik kom uit een gezin waarin muziek geen grote rol speelde. In mijn middelbareschooltijd ging de wereld van muziek voor mij open. In de tweede klas zaten een paar jongens die zich intensief met popmuziek bezig hielden. Vooral met een bepaalde soort popmuziek, de meer alternatieve stroming zoals Pink Floyd, Deep Purple en dat soort stuff. Van meet af aan raakte die muziek me. We hadden een muziekdocent die ons leerde luisteren naar alle soorten muziek; ook de popmuziek nam hij heel serieus. Op mijn eigen kamertje ging de ontdekkingstocht door. Ik weet nog goed dat ik op Hemelvaartsdag stiekem naar boven sloop, want ik had gehoord dat er een Top 100 Allertijden was. Dat was gewoon fascinerend. Ik weet als de dag van gisteren wie er in de top 3 stond.’

Maar dat luisteren ging dus wel met enige spanning gepaard…
‘Ja, want mijn ouders mochten het niet weten. Ze zaten er niet verschrikkelijk boven op, maar toch moest ik voor mijn gevoel een beetje ‘onderduiken’. Op m’n kamertje ontwikkelde ik een dubbel gehoor: ik luisterde zowel naar de speaker als naar het kraken van de trap. Dat kon ik heel goed, allebei tegelijk. Vervolgens ging ik zelf lp’s verzamelen en kreeg ik van mijn oom een bandrecorder waarmee ik muziek kon opnemen. Natuurlijk zagen mijn ouders dat het rijtje muziek begon te groeien. Vooral de muziek van Pink Floyd sprak me aan. Als puber heb je toch een beetje gevoelens van zinloosheid. Pink Floyd raakte dat gevoel aan en dat gaf herkenning. Bij een aantal vrienden zag ik dat ze via de popmuziek op zoek gingen naar de donkere kant van het leven. Bij mij heeft het nooit die kant op gewerkt.’

‘In mijn tijd werd er nog niet enorm gediscussieerd over muziek. Popmuziek hoorde gewoon niet bij een gereformeerde geloofsbeleving. Het waren twee werelden voor mij. Op het moment dat ik theologie ging studeren en predikant wilde worden, kwam de golf van complottheorieën. Er werd gewaarschuwd voor de gevaren van omdraaimuziek. Toen heb ik voor de vraag gestaan: moet ik afstand nemen van popmuziek? Ik heb nooit één lp weggegooid of doorgebroken. Ik werd wel kritischer. Ik begon te onderkennen dat muziek van Pink Floyd – in mijn geval dan – mijn geloofsbeleving ging raken. In mijn jonge jaren heb ik ook wel momenten van een geloofscrisis meegemaakt, maar daar heb ik popmuziek nooit de schuld van gegeven. Ik ging wel meer op zoek naar positieve muziek. Ik ontdekte dat er veel muziek was die me in de juiste richting bracht, waaraan ik mijn geloof kon verbinden.’

Maar nu zeg je het vrij minimalistisch: ‘waaraan ik mijn geloof kon verbinden’, maar is het niet meer dan dat? Anders gezegd: welke positieve functie heeft muziek in je geloofsbeleving?
‘Ik heb er behoefte aan dat mijn geloof de werkelijkheid onder ogen ziet. Popmuziek is één van de kunstuitingen die dat vaak heel rauw en eerlijk doen. Daarom heb ik ook nooit zoveel gehad met gospelmuziek. Die muziek is wat mij betreft te snel klaar. Ik hoor in popmuziek vaak iets van de rauwheid van de psalmen en ook van de profeten. De bittere aanklacht tegen onrecht. Diezelfde rauwheid zoek ik vaak ook in de klassieke muziek. Ik heb bijvoorbeeld heel lang meer gehouden van Gustav Mahler dan van Bach, omdat Mahler ook zo’n existentialist was. Het lijden van deze wereld peilde hij op een diepe manier.’

‘In veel popmuziek vind je de uitdrukking van een bepaald verlangen. Een paar jaar terug hadden we een kerstnachtdienst hier in onze wijk. Daarin proberen we altijd een popnummer te verwerken. Toen hebben we ‘Love somebody’ van Robbie Williams gebruikt. Dat is een soort liefdesliedje, een schreeuw om liefde. Maar als je zo’n liedje in zo’n dienst een plek geeft, dan wordt het een enorme schreeuw om liefde die het hart vervult. Dat vind ik vanuit mijn werk interessant, maar het resoneert ook heel sterk met mijn eigen zoektocht. Ik ben ook een verlangend mens. Deze muziek helpt mij dan om extra dankbaar te zijn: waar Robbie Williams om schreeuwt, vind ik in de liefde van Jezus Christus.’

Welke plek heeft muziek heel concreet in je dagelijks leven?
‘Muziek vergezelt me, op verschillende manieren en momenten. Al zijn er ook steeds meer momenten dat het stil wordt in m’n leven. In de auto neem ik bijvoorbeeld heel bewust één cd mee en dan probeer ik daar goed naar te luisteren. Ik wil me door de muziek en de woorden laten raken. Dat is natuurlijk wel de kunst bij muziek. We hebben een cultuur waarin muziek behang is geworden. Het wordt steeds moeilijker om alleen naar muziek te luisteren. Je doet er bijna altijd iets anders bij. Daarom vind ik het ook heel fijn dat de lp weer terug is. Het is gewoon heerlijk om met zo’n album in je hand te zitten en naar teksten te kijken. Dat is vergelijkbaar met het lezen van een goed boek. Zo’n moment levert me echt wat op. Ik ben een mens die vaak ‘in z’n hoofd zit’. Woorden en gedachten zijn belangrijk voor mij. Muziek boort via woorden en gedachten een andere laag aan. Het opent je hart.’

Je noemde net dat muziek vaak als behang wordt gebruikt. Gaan jongeren van nu op een andere manier om met muziek dan jij?
‘In mijn tijd keken we heel erg uit naar een bepaald album; je volgde de artiesten echt. Maar in die oceaan van muziek die we via Spotify kunnen downloaden, weet ik niet meer zo goed hoe dat werkt. Zonder als een oude man te willen praten: we lopen het risico dat we verdrinken in de overvloed van informatie die tot ons komt. Ik vind het wel belangrijk – en dat geldt voor alle informatie - dat we ons een beetje blijven oefenen in kiezen en echt aandacht geven aan dingen. Ik vind dat zelf al heel erg lastig, dus hoe is dat voor jongeren?

Hoe geef jij muziek een plek in de ontmoetingen die je met jongeren hebt?
‘Ik probeer het altijd in te brengen; als het even kan een liedje te laten horen. Muziek illustreert wat je op een andere manier bijna niet kunt zeggen. Je brengt iets van buiten naar binnen. Iets wat diep in de cultuur zit. Daardoor ga je sterker de verbinding tussen buiten en binnen maken. Het bevestigt mensen ook in de overtuiging dat wat in het christelijk geloof gaande is, geen onzin is. Liedjes kunnen deuren zijn waardoor mensen binnenstappen. Heel veel muziek in onze tijd brengt de verlangens van mensen onder woorden. Daar sluit het evangelie op aan.’

Maar hoe breng je dit over op mensen die niks met de vorm van muziek hebben of tegen de verpakking aanlopen?
‘Ik ben natuurlijk de laatste die iemand iets wil opleggen. Als mensen genoeg hebben aan ander vormen of alleen aan christelijke muziek, is dat helemaal oké. Misschien nog wel beter, ik weet het ook niet. Maar ik ben ervan overtuigd – ook in mijn bediening als predikant in de stad – dat popmuziek zo’n deel uitmaakt van de hele leefwereld en taal van mensen, dat het één van de communicatiemiddelen voor het evangelie is. Het boort een diepe laag in ons mens-zijn aan. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat ik zonder zou kunnen. In mijn denken over hoe we als kerk present zijn in de samenleving en aansluiting kunnen vinden bij mensen, is muziek voor mij bijna vanzelfsprekend.’

‘Er zijn twee modellen om naar popmuziek te kijken. Het ene model is het zwart-wit schema: het is van God of van de duivel. Dat model wordt het vaakst gebruikt. Maar er is ook een ander model mogelijk: het model van de algemene genade. In de film Amadeus stelt de vrome Salieri de vraag hoe het kan dat die losbol van een Mozart zulke hemelse muziek maakt. Mijn antwoord zou zijn: dat heeft met algemene genade te maken. Ik ben ervan overtuigd dat  – met alle spanning die je in de wereld van popmuziek kunt vinden – muzikanten mogelijkheden aan het licht hebben gebracht die in de schepping zitten. Maar dat geldt niet alleen voor popmuziek, dat geldt voor het hele leven. In de kern zit dat in de theologie van Calvijn. Hij was altijd op zoek naar de vonken van God, ook in de heidense cultuur. Abraham Kuyper heeft dat natuurlijk verder uitgewerkt en mensen als Tim Keller in New York hebben dat ook gebruikt om in gesprek te zijn met de cultuur van vandaag. Volgens mij is dat nog steeds een heel vruchtbaar uitgangspunt.’

‘Dus ik ben kritisch op popmuziek; er zijn donkere kanten, er is muziek waar je beter helemaal niets mee te maken kunt hebben. Maar er is ook veel muziek die ik vanuit de algemene genade positief kan waarderen. En misschien heeft die muziek ook wel een functie gehad in de manier waarop God deze wereld leidt. Zo groot zou ik het ook nog wel durven zeggen. Maar nogmaals: we hebben misschien allemaal onze eigen roeping. Dit is waar ik me toe geroepen voel.’

Welk pleidooi voer je voor het gebruik van muziek in het jeugdwerk?
‘Laten we in ieder geval zuinig zijn op jongeren die muziek serieus nemen. Al die jaren dat ik iets heb geroepen over popmuziek, heb ik hen op het oog gehad. Ik wil hen laten ervaren dat hun liefde voor popmuziek niet alleen maar problematisch is. Dus kijk goed om je heen als je een groep jongeren voor je hebt en erken dat er grote verschillen zijn. Ik moet denken aan die zanger uit Zeeland, broeder Dieleman, een jongen die in de vrijgemaakte kerk is opgegroeid. Toen hij op zijn club zijn gave en liefde voor muziek ging delen, werd hij geconfronteerd met argwaan. Voor hem was dat een reden om de kerk te verlaten en zijn oprechte zoektocht buiten de kerk voort te zetten. Zo’n voorbeeld moet ons stimuleren om zuinig te zijn op de creativiteit die jongeren hebben. Ik zou zeggen: zoek naar een gebalanceerde visie en laat je niet verleiden door allerlei zwart-wit schema’s waarmee we jongeren in een mal duwen. Theologisch hebben we daar ook geen reden voor.’

‘Het lijkt me ook goed om jongeren met het oog op onze missionaire roeping gevoelig te laten zijn voor de cultuur waarin we leven. Wat is de taal waarmee we mensen kunnen bereiken en waarin we iets kunnen vertellen over het evangelie? Daar kan muziek geweldig bij helpen. Niet alleen muziek trouwens, maar ja, dat heb ik al gezegd.’

I





donderdag 10 september 2015

Back to basics - Over het het jaarthema 2015/2016 van de Jeruzalemkerk

Inleiding op het jaarthema Back to basics - Op zoek naar eenvoudig christelijk leven

Als je erop gaat letten zie je het overal opduiken: het gevoel terug moeten naar meer eenvoud, naar de essentie, naar authenticiteit, naar duurzaamheid en haalbaarheid. Soms heeft daarbij het verlangen de boventoon, soms het besef van bittere noodzaak. Maar het idee dat we in veel opzichten 'back to basics' moeten is wijdverbreid.

Neem om te beginnen wat we in de samenleving zien gebeuren. Steeds meer mensen raken ervan overtuigd dat de overvloedige welvaart waarin we de afgelopen decennia in het westen geleefd hebben niet houdbaar zal zijn. De bronnen van de aarde zijn eenvoudigweg niet toereikend voor onze leefstijl en een flink deel van onze welvaart bleek te bestaan uit de lucht van veel te dure huizen. En nu steeds meer mensen op de vlucht slaan, door armoede en geweld, wordt het vermoeden alleen maar sterker: we zullen in de loop van de tijd met minder toe moeten. Tegelijkertijd zie je onder jongeren een nieuw verlangen groeien. Het verlangen dat het ook met minder kán. Een verlangen naar eerlijker en simpeler leven. Hier in De Baarsjes stikt het inmiddels van de winkeltjes en initiatieven om eerlijker, duurzamer en simpeler te eten, te drinken, te kleden en te wonen. Of het zo kán zal moeten blijken, maar het verlangen is er.

Maar ook in de kerk groeit het besef dat het in de toekomst eenvoudiger moet. Het kerkelijke instituut, zo zorgvuldig opgebouwd en opgetuigd, brokkelt in hoog tempo af en dreigt zelfs te gaan verdwijnen. De PKN is een bezinning begonnen op 'kerk in 2025' en de uitkomst is voor een deel wel zeker: over 10 jaar zullen er veel minder full time dominees zijn, het bestuursapparaat is verkleind en afgebouwd, veel kerkgebouwen zijn afgestoten en daarvoor in de plaats zijn huisgemeentes en pioniersplekken gekomen. Dat het simpeler moet is pure noodzaak, want de ontkerkelijking gaat door en de oude, trouwe generatie gaat langzaam wegvallen. En toch is er, tegelijkertijd, ook nieuw verlangen. Want zou deze ontwikkeling ons ook niet terug kunnen brengen bij de manier waarop de vroegste christenen kerk waren? Zit er ook niet heel veel kracht in kleine gemeenschappen, huisgemeenten en groepen? En zou de kerk zo niet weer een beweging kunnen worden in plaats van een instituut? Hoe dan ook: Arjan Plaisier, de scriba van de PKN, geeft kleur aan de bezinning door het geloof uit te spreken dat 'back to basics' een noodzaak maar ook een belofte inhoudt.

En wijzelf? Ben ik de enige die af en toe snakt naar een simpeler leven? Minder spullen, minder prikkels, minder o zo belangrijke dingen, minder informatie, minder aandachtsvelden .. ik kan er soms zo naar verlangen. Maar ook simpeler geloven: minder denken en meer gewoon doen, meer stilte en rust bij God, minder vergaderen en meer getuigen, dat soort dingen.

Wat mij betreft hebben we redenen genoeg om als Jeruzalemkerk een jaar aan de slag te gaan met het thema 'back to basics'. Als ondertitel kozen we voor: Op zoek naar een eenvoudig christelijk leven. Die ondertitel vonden we nodig omdat we weer een engelstalig jaarthema hebben, maar dat helaas niet letterlijk te vertalen is. Maar we hebben het ook nodig om de kern van onze zoektocht aan te geven. We gaan op zoek naar de basics van het bijbelse, christelijke geloof, in de hoop dat we daar persoonlijk en kerkelijk door kunnen veranderen en hopelijk ook nog wat overhouden om met de wereld te delen.


Om te beginnen gaan we dan maar eens lezen uit twee bijbelboeken die helemaal over back to basics gaan. De boeken Ezra en Nehemia gaan over de wederopbouw van Jeruzalem, van de tempel en van het leven in Israël ná een periode van ballingschap. Het zijn verhalen van realisme en hoop, maar vooral verhalen vol beloften dat terugkeer naar waar we vandaan kwamen nodig en mogelijk is. Het is een mooi thema, 'back to basics', dat door velen herkend wordt. Dat belooft wat!

vrijdag 5 september 2014

Bijdrage aan het Theologisch Elftal, verschenen in Trouw op vrijdag 5 september 2014

Ophef rond een vrijwillig einde: het blijft nodig

“Wat je ziet in de euthanasiedebat is dat er telkens twee fundamentele waarden op elkaar bosten. Aan de ene kant die van de persoonlijke autonomie: het verlangen van mensen om zélf te kunnen beslissen, ook over hun levenseinde. Daar tegenover staat de waarde van de gemeenschap: de belangen, gevoelens en verantwoordelijkheden van de mensen om dit individu heen. Die botsing zie je bij deze twee cases van de Levenseindekliniek heel scherp naar voren komen.
Mensen die een wilsverklaring opstellen, doen dat in eerste instantie geïsoleerd. Ze schrijven op wat zíj willen. Dit is hún beslissing. En als ze dat hebben opgeschreven denken ze: ‘zo, nu is het geregeld’. Maar als het erop aankomt blijkt die autonomie toch een illusie te zijn. Je kunt honderd keer opgeschreven wat je wilt dat er later met je zal gebeuren, maar kom je uiteindelijk in de situatie dat die wilsbeschikking van toepassing wordt, dan zal de wetgever toch altijd nog zeggen: ‘dit moet eerst getoetst worden’. De artsen zullen nog steeds die hun eigen inschatting moeten maken. Het is onmogelijk om twintig jaar van tevoren te overzien wat de situatie zal zijn. Want er zullen altijd, hoe je het ook wendt of keert, andere mensen bij betrokken raken. Artsen, verpleegkundigen, familie. En die heb je als individu niet helemaal in eigen hand.
Euthanasie is geen zaak van het individu alleen. Elke keer als er euthanasie gepleegd wordt, is dat ook iets wat de gemeenschap aangaat. Daarom is het zo’n veelbesproken onderwerp op straat en in de media. Dit raakt de samenleving. We moeten euthanasie dus nadrukkelijk in dat verband blijven zien. Ik ken de details niet, maar het lijkt erop dat de Levenseindekliniek te veel aan de kant zijn gaan hangen van het individu. Ze zijn een soort belangengroep, en zoals elke belangengroep loopt die het gevaar zozeer de eigen mensen te willen dienen dat de zorgvuldig eronder lijdt.
Afgelopen week preekte ik uit Paulus’ brief aan de Efeziërs, het vierde hoofdstuk. Daarin gaat het over mondigheid. Het is de bedoeling, schrijft Paulus, dat gelovigen mondig worden, geestelijk volwassen. Frappant is dat de context waarin hij dit zegt heel nadrukkelijk gaat over de gemeenschap, waarin hij oproept elkaar vast te houden. Bij hem heeft mondigheid ook te maken met zorg voor de ander, met verantwoording kunnen afleggen aan elkaar. En natuurlijk aan God.
Hoe erg is een verpleeghuis? Is het een goede grond voor euthanasie? Ik vind het lastig hier een oordeel over te vellen. Ik las een reactie van iemand wiens vrouw al drie jaar in verpleeghuis zat tot ze overleed. Hij had daar vrede mee, zei hij. ‘Het is goed voor ons geweest. We moeten er niet zo bang voor zijn.’ Het is belangrijk dat we in gesprek blijven met elkaar. Het is niet genoeg dat je zegt: maar dit is nu eenmaal wat ík wil. Er zijn ook ervaringen van anderen waar we als gemeenschap naar moeten luisteren. Omdat we steeds op zoek zijn naar het antwoord op die ene hamvraag: wat is precies ondraaglijk lijden, en wie bepaalt dat? In een seculiere, geïndividualiseerde samenleving komen die vragen steeds meer op scherp te staan.
Iemand schrijft in een wilsverklaring dat hij later in geen geval naar een verpleeghuis wil. Twintig jaar later moet die persoon opgenomen worden in een verpleeghuis. Hij is inmiddels wilsonbekwaam. Lijdt hij ook ondraaglijk, zoals hij twintig jaar eerder zelf inschatte? Op dat moment moet je voor de beslissing tot euthanasie over te gaan, de keuze maken: naar wie luisteren we? De twintig jaar jongere versie van deze persoon? Of naar de omgeving, die op dit moment probeert in te schatten hoe ondraaglijk het lijden van de persoon in kwestie is? Ik kan daar natuurlijk geen absoluut antwoord op geven, maar in het algemeen ben ik toch geneigd de stem van de gemeenschap zwaar te laten meewegen.



donderdag 29 mei 2014

1 Petrus 5:8-11 Jezus op de troon, maar de duivel is er ook nog

Orde van dienst
Welkom en mededelingen

Voorbereiding
Intochtslied: Psalm 99: 1 en 2 (orgel)

Stil gebed

Bemoediging en groet

Zingen: Psalm 99: 3, 4 en 8

Geloofsbelijdenis

Gezang 231: 1 en 2

Gebed om vergeving en vernieuwing

-Bijbellezing:  -Lucas 24: 45-53
                -1 Petrus 5: 8-11

-Gezang 228 Ten hemel opgevaren is

-Tekst voor de verkondiging: 1 Petrus 5: 8-11
-Verkondiging, met als thema: Jezus op de troon, maar de duivel is er ook nog

Ons antwoord
Zingen: Psalm 91: 1, 5 en 6 (orgel)

Gebed

Inzameling van de gaven
Zingen: ELB 245 Glorie aan God  (orgel)

Zegen



Gemeente van Christus, gasten in ons midden,

Het feest van de hemelvaart van Christus stelt ons in alle hevigheid voor de vraag wie in deze wereld nu eigenlijk de macht heeft. En natuurlijk de vraag wie die macht eigenlijk toekomt, want degene die de macht heeft hoeft niet per sé degene te zijn die er ook récht op heeft.

En éven kunnen we dan - al zingend en feestvierend op de Hemelvaartsdag (we vinden het toch een feest, of niet soms?) de indruk krijgen dat er geen vuiltje aan de lucht is. We zingen opgetogen over God die koning is en over Jezus die aan rechterhand van God zit op de troon. We jubelen dat hij alle macht heeft en dat die macht hem toekomt, in hemel en op aarde. We verheugen ons over de heerlijkheid van de hemel en vergeten voor een moment de werkelijkheid van de aarde. Zo kán het gaan, als het werkelijk feest wordt.

Maar heel lang kan het niet duren voor we ons weer bewust zijn van de vuile en dreigende luchten die zich rondom ons bevinden en boven onze hoofden samenpakken. Dan denken we weer aan alle machthebbers van deze wereld die elkaar op leven en dood bestrijden. We denken aan de machten en krachten die de wereld van vandaag beheersen: het kapitaal, de consumptie,  de machtswellust, de religies. En dat zijn dan nog de machten en krachten die grotendeels zichtbaar zijn, maar welke machten zijn er eigenlijk achter de schermen aan het werk? Welke satanische machten zitten er achter allerlei ontwikkelingen die de mensheid niet vrij maken maar juist steeds afhankelijker en kwetsbaarder. Is er spraken van complotten en samenzweringen met duistere bedoelingen?

Wie heeft de macht in de wereld?Wie komt hem toe?
*Laten beginnen met het zinnetje waar Petrus in het korte stukje dat we lazen bij eindigt. In vers 11 schrijft hij: 'Hem komt de macht toe, voor eeuwig. Amen.'

'Hem komt de macht toe, voor eeuwig.' Dat lijkt me een geloofsbelijdenis. En dat is het ook. Midden in een wereld die op alle fronten van het tegendeel getuigt belijdt Petrus, met de christenen van zijn tijd: 'Hem komt alle macht toe, voor eeuwig.' Maar wie bedoelt hij met 'hem'?

Op deze (zondag na) hemelvaartsdag zijn we misschien geneigd om meteen aan Jezus te denken, maar dan gaan we toch te snel. Petrus heeft het namelijk in het voorgaande vers over Gód. God die u sterk en krachtig zal maken, zodat u staande zult blijven en niet meer zult wankelen.' Van díe God zegt hij: 'Hem komt de macht toe, voor eeuwig.' Maar dan haal ik toch even 4:11 bij, waar Petrus óók schrijft 'hem komt alle eer toe', maar daar heeft hij het wél over Christus. 'Want zo doet u alles tot eer van God', schrijft hij, 'dank zij Jezus Christus, aan wie alle eer en macht toe komt. Amen.'

Voor Petrus zit er dus geen tegenstelling tussen de Vader en de Zoon en ook geen rangorde. God heeft de macht, Jezus Christus heeft de macht, daar zit verder niets tussen. Maar voor sommigen van ons is dat wel een belangrijke correctie, de ene of de andere kant op. Sommigen zijn zo verlegen met Christus die alle macht heeft dat ze zich beperken tot het spreken over God. En anderen zijn zo wég van Jezus dat ze denken dat het alleen om hem draait. Petrus brengt in zijn brief een mooi machtsevenwicht aan: God heeft de macht, Jezus heeft de macht. Dat geloven wij.

*Maar is daarmee alles gezegd? Nee, bepaald niet. Want in de verzen hiervoor spreekt Petrus nog een keer het diepe besef uit dat zijn lezers dagelijks te maken hebben met machten en krachten die hen naar het leven staan. Om te beginnen zijn dan menselijke machten, concreet: de krachten in het Romeinse Rijk die zich verzetten tegen dat vreemde geloof van die christenen. Dat vreemde geloof dat ook als gevaarlijk werd gezien, omdat ze geloofden in Jezus die ze als zoon van God beschouwden en kurios, Heer, noemden. Nota bene dezelfde kwalificaties die ook aan keizer van Rome werden toegeschreven, zodat Jezus dus een regelrechte aantasting was van de macht van Rome. De romeinse overheden en burgers beschouwden het christelijk geloof dus bepaald niet als een spiritualiteit voor achter de voordeur, maar als een beweging die de machtsaanspraken van Rome op de proef stelden. Dat dat verzét en beperkende maatregelen opriep was dan ook niet zo vreemd. De belijdenis van de macht van Jezus had vergaande politieke consequenties.

Maar intussen betekende dat voor de lezers van Petrus wel dat ze lijden te verduren kregen. Hun geloof in de hemelse macht verhinderde niet dat zij op aarde lijden moesten ondergaan. En Petrus zegt met zoveel woorden: verbaas je daar niet over, maar laat het deel zijn van je geloof. God komt de macht tóe, maar anderen leggen zich daar niet zomaar bij neer.

De vraag is natuurlijk of wij deze botsing tussen de hemelse en aardse machten ook nog ervaren. Duidelijk is in elk geval wel: hoe serieuzer we het nemen dat God, dat Christus alle macht toe komt, hoe vaker het zal schuren en botsen met machtsaanspraken vandaag. Schrikken we daar voor terug? Stellen we er een eer in? Dat is de vraag.
*De hemelse machtsaanspraken botsen dus flink met allerlei van de menselijke. Maar ik Petrus zo begrijp ligt daar wat hem betreft niet het heetst van de strijd. Dat ligt namelijk in de strijd tegen niemand minder dan de duivel.

Petrus schrijft er dit van: 'Uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi.' Opmerkelijk detail: het is voor het eerst dat Petrus het woord vijand gebruikt in zijn brief. Nooit noemt hij de keizer zo, net zo min als de machten en krachten waar de gemeente aan te lijden heeft. Petrus demoniseert de tegenstanders van de kerk niet. Maar déze tegenstander ís demonisch: de duivel, de diabolos, de satan.

Petrus gebruikt een nogal plastisch beeld voor de duivel: hij is als een brullende leeuw, op zoek naar prooi. Een heftig beeld: de duivel heeft geen horentjes en bokkepootjes, maar manen en verschrikkelijke kaken en natuurlijk een snelheid waar bijna niet aan de ontkomen is. (Om even een gevoel te krijgen bij dit beeld heb ik er filmpje van opgezocht dat ik nu wil laten zien.)

De duivel als een verscheurende leeuw. Zo serieus neemt Petrus de duivel. Namen de vroege christenen hem. Ze hielden er terdege rekening mee dat er niet alleen hemelse maar ook helse machten actief waren in hun leven en onderschatten de laatste niet. Wáár ze de duivel precies aan het werk zagen wordt in de brief van Petrus trouwens niet zo duidelijk, helaas. Sowieso kent het NT geen uitgewerkte leer van duivels en demonen, zoals de apocriefe geschriften uit die tijd die wel kennen. Al met al legt Petrus meer nadruk op de in te nemen levens- en geloofshouding tegenover de duivel dan op de duivel zelf. Maar wat is die houding? En wat staat óns te doen?
*Ik moest denken aan wat C.S. Lewis schrijft in de inleiding van zijn boekje Brieven uit de hel (The Screwtape Letters). In dat boekje beschrijft hij in de vorm van een fantasierijke briefwisseling tussen twee duivels welke strategieën er worden gebruikt om mensen uit de handen van Christus te houden of te krijgen. Hij schrijft: 'We kunnen aangaande de duivelen twee vergissingen maken, die echter beide even ernstig zijn. De ene is niet aan ze te geloven. De andere: wel aan ze te geloven, maar een buitensporige en ongezonde belangstelling voor ze te koesteren. Zij zelf mogen beide vergissingen even graag en zij verwelkomen een materialist met dezelfde vreugde als iemand die hen oproept.'

Die woorden hebben denk ik nog weinig aan actualiteit ingeboet. Ook in onze tijd vallen christen vaak uiteen in die twee groepen: die niet meer in de duivel geloven en die er te veel in geloven. Voor Lewis ligt de waarheid, net als bij Petrus, in het midden. Petrus zegt, in alle eenvoud: ‘Wees waakzaam, wees op uw hoede.’ En vervolgens: ‘Stel u tegen hem teweer, gesterkt door uw geloof.’ En dat geloof is: ‘God zal u sterk en krachtig maken, zodat u staande zult blijven en niet meer zult wankelen.’ Geen paniek dus en ook geen enorme zoektocht naar wat allemaal duivels zou kunnen zijn. Waakzaam zijn en als je wat ziet: je verweren met de wapens van het geloof. In het boekje van Lewis maken de duivels (op vaak onhandige wijze trouwens) vooral gebruik van de menselijke zwakheden: angst voor de toekomst, ergernis aan medechristenen, gebrek aan concentratie bij het bidden, huwelijksproblemen. Maar de boodschap is vooral: al hun pogingen lopen stuk op het eenvoudige geloof in Christus, die met stille overmacht  de zijnen beschermt en bewaart. ‘God zal u sterk en krachtig maken, zodat u staande zult blijven.’
*Al met al heeft Petrus een vrij nuchtere visie op de machten in de wereld. En het geheim zou wel eens kunnen zitten in vers 10, waar Petrus het volgende schrijft: ‘Maar al moet u nog korte tijd lijden, God, de bron van alle genade, heeft u geroepen om in Christus Jezus deel te krijgen aan zijn eeuwige luister.’ Gelovigen mogen zich geroepen weten, net als Abraham, net als Israël. Geroepen om zijn volk in de wereld te zijn, een volk met een missie, maar ook een volk dat God wil laten delen in zijn luister. En de God die riep is ‘de bron van alle genade’, de bron dus van alle kracht die nodig is om ook werkelijk bij die roeping te blijven, om te volharden in het geloof ook als verdrukking en verzoeking toenemen. Die bron van alle genade heeft God voor ons geopend in Jezus Christus, de opgestane, aan wie nu ook alle macht in de hemel gegeven is.

Tom Wright besluit zijn uitleg van 1 Petrus 5 zo: 'De duivel zal proberen je door vervolgingen en andere aanvallen omver te krijgen. Als dat niet werkt, zal hij proberen je te laten leven in manieren die schadelijk zijn voor je geloof en, uiteindelijk, voor je menszijn. (zie 1:14 en 2:11). ' Hoe onplezierig dat is, Petrus maakt duidelijk dat ook deze beproeving kan helpen om sterker te worden. God zal je sterken en je bevestigen, op een sterk fundament. Deze belofte van het stevige fundament is er een waar we met vreugde aan moeten vastklampen, vooral om hij wordt ondersteund door de belofte van alle macht die aan God is.

Dat is de boodschap van hemelvaart. Een boodschap die we vieren op de hemelvaartsdag en die gaan oefenen op de wezenzondag die er op volgt. Een boodschap die het houdt in wereld vol machten en krachten, omdat God in Christus alle macht toe komt.

Amen

zondag 18 mei 2014

1 Petrus 2: 11-17 en 3:8-18 Goed leven in een vijandige omgeving

In de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat religie in onze samenleving in toenemende mate als een vreemd element wordt beschouwd. In een heel reeks politieke debatten en wetsvoorstellen werd wel duidelijk dat een groeiende groep mensen in ons land steeds minder begrip heeft voor principiële keuzes die door gelovige mensen worden gemaakt. Als je goed luistert naar de argumenten hoor je steeds weer diezelfde vooronderstellingen en verwijten: religie is onderdrukkend, brengt de wereldvrede in gevaar en houdt mensen dom. Soms is de toon van het debat ronduit venijnig en vijandig.

Aan de tafel van Pauw en Witteman en op de mediaplatforms die er toe doen is de toon meestal vooral ironisch. Áls er al wordt gevraagd naar de mening van gelovigen klinkt in de vraag vaak al d ondertoon van 'maar we nemen je niet echt serieus'. En als de Volkskrant met Pasen een zaterdagkatern wijdt aan de vraag 'Hoe God in Nederland blijft' gebeurt dat toch vooral met een wat verwonderde toon: Goh, dat religie nog steeds niet is uitgestorven zeg, daar kijken we van op.

Vijandschap of ironie. Ik weet niet wat erger is. Maar hoe dan ook, als gelovigen herkennen we ons steeds meer in de woorden waarmee Petrus in 2:11 zijn lezers aanspreek: 'Geliefde broeders en zusters, u bent als vreemdelingen die ver van huis zijn.' Mensen begrijpen het niet meer, wat je gelooft en hoe je leeft. En wat niet wordt begrepen wordt meestal niet zo bemind en als het tegenzit zelfs gehaat. En de vraag is natuurlijk: hoe moeten we daar als gelovigen nou mee omgaan? Hoe moeten we reageren? Hoe moeten we leven? Op die vraag gaat Petrus uitgebreid in vanmorgen.
*Hoe moeten we als gelovigen leven in een wereld die ons vooral als vreemdelingen beschouwt? Ik moet zeggen dat ik het antwoord van Petrus best wel opmerkelijk vind. Waar hij namelijk mee begint is dit: probeer in elk geval niet koste wat het kost je eigen positie of zelfs je eigen leven te beschermen, hoezeer je daar ook toe geneigd bent. Als je dat doet ben je namelijk vooral bezig om toe te geven aan je eigen verlangens en niet aan die van God. 'Ik vraag u dringend niet toe te geven aan zelfzuchtige verlangens, die uw ziel in gevaar brengen.', zegt Petrus. Het is, met andere woorden wat Jezus heeft gezegd, in Marcus 8: 'Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest, omwille van mij en het evangelie, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet?'

Petrus begint dus, heel nadrukkelijk, met een waarschuwing: geef niet toe aan de neiging om voor zelfbehoud te gaan. Het gaat niet om jou, het gaat om God en zijn koninkrijk. Zo hé, dacht ik toen ik eenmaal snapte wat hij bedoelt, die is wel raak. Want laten we eerlijk zijn: zijn we daar als christenen de afgelopen jaren niet iets te vaak mee bezig geweest? Bijvoorbeeld door op zo'n manier op te komen voor ónze verworven godsdienstige rechten dat het respectloos werd in de richting van mensen met andere overtuigingen. Of door precies het tegenovergestelde te doen: door ons zo aan te passen en mee te bewegen dat we wel ons hachje redden maar in onze levenskeuzes nauwelijks meer verschilden van de rest van de cultuur. Beseffen we hoe we op allerlei manier als gelovigen in deze tijd bewust of onbewust op zelfbehoud uit kunnen zijn? En beseffen we ook dat dat wel veilig líjkt, maar als het er op aan komt onze ziel in gevaar brengt?
*Goed, toegeven aan verlangen naar lijfsbehoud is het dus niet. Maar wat dan wel? Het antwoord van Petrus is: 'Leid te midden van de ongelovigen een goed leven.' Een goed leven. Tja, maar wat is dan een goed leven? Een goed leven is niet anders dan een leven volgens Gods bedoelingen. Leven volgens de nieuwe identiteit die je als christen door de opstanding van Christus hebt gekregen. God dienen, je naast liefhebben, goed doen. Christus erkennen als Heer, zoals in 3:15 staat, en hem eren met heel je hart.

Ok, dat is de basis. Maar nu wat concreter: wat betekent 'een goed leven leiden te midden van de ongelovigen.'? Petrus noemt ten minste drie dingen.
*Het eerste wat Petrus noemt is: leef zó, dat je mag hopen dat degenen die je nu voor misdadigers uitmaken, door je goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag dat hij komt rechtspreken. Wees je er dus van bewust dat goede daden veel meer dan mooie woorden een middel kunnen zijn om mensen iets te laten zien van wat God in Jezus heeft gegeven. Pas op: het gaat er niet om dat mensen denken 'o die christenen vallen toch wel mee'. Nee, het gaat er om dat ze iets van het Evangelie zien en op andere gedachten komen.

Door goede daden mensen op andere gedachten over Jezus en God brengen. Het viel mij op, dat dit voor Petrus een heel aangelegen punt is, iets waar hij echt in gelooft en veel over zegt. In vers 12 spreekt hij dus de hoop uit dat mensen tot inzicht komen en God zelfs gaan prijzen. In 3:15 en 16 is hij iets bescheidener, als hij zegt dat we door een houding van zachtmoedigheid en respect, waarbij we wel trouw zijn aan ons geweten, degenen die zich honend over onze christelijke levenswandel uitlaten, zich laten schamen over hun laster.

Bijzonder hé, hoe bescheiden Petrus eigenlijk is. Ga jezelf niet verdedigen, zegt hij, maar wees wel bereid tot verantwoording. Wek niet de indruk dat je beter bent dan een ander door met het vingertje te wijzen, maar laat het maar zien wat het goede leven is, in alle eenvoud. En vertrouw er op, dat God juist dát kan gebruiken om anderen te beschamen of zelfs te overtuigen.

Wat denk je: zou dit helpen om op je werk, in je buurt, in je familie getuigen van Jezus Christus te zijn? Mij helpt het zeker. Het doet mij denken aan die bekende quote van Franciscus van Assisi: Verkondig het Evangelie, desnoods met woorden.'
*De volgende concrete aanwijzing die Petrus geeft luidt als volgt: 'Erken omwille van de Heer het gezag van de bestuurders die door de mensen zijn aangesteld: van de keizer, de hoogste autoriteit, en van de gouverneurs, die hij heeft afgevaardigd.' Dat is toch ook wel een opmerkelijke opmerking, of niet soms?

Laten we om te beginnen even goed beseffen hoe spannend deze uitspraak. Om te beginnen de keizer van Rome. Die keizer was natuurlijk veel meer dan een bestuurder, want hij dichtte zichzelf goddelijke eigenschappen toe. De keizer werd 'kurios' genoemd, allerhoogste Heer. Met als gevolg dat de vroegste christenen die titel voor de opgestane Jezus gingen gebruiken: Jezus Kurios, Jezus de Heer. Jezus en de keizer. Die twee gingen niet samen. En dan toch zegt Petrus hier: erkén de keizer. Dat is echt wel van een andere orde dan 'heb respect voor premier Rutte'. En hetzelfde zegt hij als het gaat om bestuurders die namens de keizer opereren op locaal niveau. Stadhouders zoals Pontius Pilatus, die Jezus geen eerlijke rechtsgang durfde geven. Van die mensen zegt Petrus: erken ze, omwille van de Heer. Hoe kan dat?

Ik denk Petrus minstens twee redenen heeft. De eerste is een praktische en speelde bij alle vroege christenen: Petrus wil niet dat christenen bekend staan als oproerkraaiers of als revolutionairen. Dat werd christenen vaak verweten, maar christenen waren er niet op uit om de gevestigde orde omver te werpen. Waarom niet? Omdat ze geloofden dat Jezus wérkelijk Heer was en het daarom niet van het allergrootste belang was wíe er regeerde. Omdat ze geloofden dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is.

Ik vind het eerlijk gezegd een beetje lastig om te bedenken wat wij hier nu mee kunnen. Het zal toch niet betekenen dat we geen kritiek mogen hebben op een regering. Als dat in WOII was gebeurd hadden de nazi's er nu misschien nog gezeten en we kunnen toch moeilijk geloven dat dát Gods bedoeling was. Of neem de Europese Unie: daar is ook nog wel het een en ander op aan te merken. Mag dat dan niet? Laten we het hier op houden: Petrus wil ons leren dat God niet afhankelijk is van een goede regering om toch zijn goede werk in de wereld te doen.  En hij wil ons leren dat het het allerbelangrijkste is om, onder welke regering ook, respect te blijven hebben voor de gezagsdragers en zelf het goede te zoeken.


*Ik ga naar het derde punt en dat hangt heel nauw samen met het vorige. Dat derde punt luidt: Wees bereid om te lijden omwille van de gerechtigheid. In 3:13 spreekt Petrus de verwachting uit, dat als we ons volledig inzetten voor het goede, niemand ons kwaad zal willen doen. Maar zelfs als dat dan toch gebeurt, zegt hij, zijn we toch gelukkig te prijzen. En dus moeten we niet bang zijn voor mensen en ons niet in verwarring laten brengen.

Petrus stipt dit punt hier alleen even aan, maar op andere plekken in zijn brief gaat hij er nog veel dieper op in. Waarom doet hij dat? Omdat lijden omwille van het geloof in Christus wat hem betreft de ultieme vorm van een goed leven is. 'Ook Christus immers heeft', zo schrijft hij in vers 18, 'terwijl hijzelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen.' Dus als het je gebeurt dat je onrecht wordt aangedaan omdat je christen bent, verwacht dat niet alle heil van verzet of genoegdoening, maar besef dat je daarmee heel dicht bij Jezus zelf bent. Het is dus ook de ultieme toepassing van het punt waar hij mee begon, de waarschuwing om niet toe te geven aan zelfzuchtige verlangens.

Misschien is dit punt wel het allermoeilijkst voor ons zoals we hier zitten. Christenen in het Westen weten nauwelijks meer wat lijden omwille van het geloof is en hebben er zeker geen waardering voor. Hoe anders is dat bij heel veel gelovigen in andere landen. Mensen in Noord-Korea, in Somalië en Syrië, om de top 3 van de ranglijst christenvervolging maar even te noemen. Zij weten hoe gezegend je kunt zijn als je lijdt om Christus' wil. Zou dat ons ook niet bereid moeten maken om tegenstand te verdragen en onrecht te ondergaan?
*Ik ga afronden. Petrus geeft ons heel wat denkwerk me als het gaat om de vraag hoe wij goed kunnen leven in een vreemde of zelfs vijandige omgeving. En veel van wat hij schrijft is voor ons echt verrassend anders dan wij het vaak beleven, roept misschien zelfs weerzin en verzet op.

Laten we proberen goed na denken over zijn woorden, voor ons zelf en voor ons als gemeenschap. En laat die woorden bovenal helpen om tot overgave en vertrouwen te komen. Dat we in het geloof niet uit zijn op comfort, op het veilig stellen van ons eigen leven, maar ook het volgen van Jezus, het dienen van God en goed doen in zijn naam. Wie weet zal het mensen de ogen openen voor het Evangelie, dat zou mooi zijn. Maar ook als dat niet zo is: prijs je dan gelukkig omdat je Jezus mag kennen, in de kracht van zijn opstanding. Dat geeft je de kracht om het vol te houden, ook als steeds meer mensen je als vreemdeling beschouwen. Want wie vreemdeling is om Jezus' wil mag zichzelf gelukkig prijzen.


Amen