Posts tonen met het label Kerk en kunst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kerk en kunst. Alle posts tonen

maandag 21 september 2015

Muziek brengt verlangens van mensen onder woorden


Interview met Diane Palm, septembernummer Generator, magazine voor leidinggevenden in het jongerenwerk
Uitgave HGJB




Muziek hoort bij het leven van ds. Bas van der Graaf uit Amsterdam. Een goede reden dus om hem te bevragen op de rol die muziek speelt in zijn omgang met God. Bij de start van het gesprek klinkt enige aarzeling. ‘Het zou mooi zijn als meer predikanten voor dit onderwerp te benaderen waren. Maar vooruit…’

Neem ons eens mee, welke weg heeft muziek in je eigen leven afgelegd?
‘Ik kom uit een gezin waarin muziek geen grote rol speelde. In mijn middelbareschooltijd ging de wereld van muziek voor mij open. In de tweede klas zaten een paar jongens die zich intensief met popmuziek bezig hielden. Vooral met een bepaalde soort popmuziek, de meer alternatieve stroming zoals Pink Floyd, Deep Purple en dat soort stuff. Van meet af aan raakte die muziek me. We hadden een muziekdocent die ons leerde luisteren naar alle soorten muziek; ook de popmuziek nam hij heel serieus. Op mijn eigen kamertje ging de ontdekkingstocht door. Ik weet nog goed dat ik op Hemelvaartsdag stiekem naar boven sloop, want ik had gehoord dat er een Top 100 Allertijden was. Dat was gewoon fascinerend. Ik weet als de dag van gisteren wie er in de top 3 stond.’

Maar dat luisteren ging dus wel met enige spanning gepaard…
‘Ja, want mijn ouders mochten het niet weten. Ze zaten er niet verschrikkelijk boven op, maar toch moest ik voor mijn gevoel een beetje ‘onderduiken’. Op m’n kamertje ontwikkelde ik een dubbel gehoor: ik luisterde zowel naar de speaker als naar het kraken van de trap. Dat kon ik heel goed, allebei tegelijk. Vervolgens ging ik zelf lp’s verzamelen en kreeg ik van mijn oom een bandrecorder waarmee ik muziek kon opnemen. Natuurlijk zagen mijn ouders dat het rijtje muziek begon te groeien. Vooral de muziek van Pink Floyd sprak me aan. Als puber heb je toch een beetje gevoelens van zinloosheid. Pink Floyd raakte dat gevoel aan en dat gaf herkenning. Bij een aantal vrienden zag ik dat ze via de popmuziek op zoek gingen naar de donkere kant van het leven. Bij mij heeft het nooit die kant op gewerkt.’

‘In mijn tijd werd er nog niet enorm gediscussieerd over muziek. Popmuziek hoorde gewoon niet bij een gereformeerde geloofsbeleving. Het waren twee werelden voor mij. Op het moment dat ik theologie ging studeren en predikant wilde worden, kwam de golf van complottheorieën. Er werd gewaarschuwd voor de gevaren van omdraaimuziek. Toen heb ik voor de vraag gestaan: moet ik afstand nemen van popmuziek? Ik heb nooit één lp weggegooid of doorgebroken. Ik werd wel kritischer. Ik begon te onderkennen dat muziek van Pink Floyd – in mijn geval dan – mijn geloofsbeleving ging raken. In mijn jonge jaren heb ik ook wel momenten van een geloofscrisis meegemaakt, maar daar heb ik popmuziek nooit de schuld van gegeven. Ik ging wel meer op zoek naar positieve muziek. Ik ontdekte dat er veel muziek was die me in de juiste richting bracht, waaraan ik mijn geloof kon verbinden.’

Maar nu zeg je het vrij minimalistisch: ‘waaraan ik mijn geloof kon verbinden’, maar is het niet meer dan dat? Anders gezegd: welke positieve functie heeft muziek in je geloofsbeleving?
‘Ik heb er behoefte aan dat mijn geloof de werkelijkheid onder ogen ziet. Popmuziek is één van de kunstuitingen die dat vaak heel rauw en eerlijk doen. Daarom heb ik ook nooit zoveel gehad met gospelmuziek. Die muziek is wat mij betreft te snel klaar. Ik hoor in popmuziek vaak iets van de rauwheid van de psalmen en ook van de profeten. De bittere aanklacht tegen onrecht. Diezelfde rauwheid zoek ik vaak ook in de klassieke muziek. Ik heb bijvoorbeeld heel lang meer gehouden van Gustav Mahler dan van Bach, omdat Mahler ook zo’n existentialist was. Het lijden van deze wereld peilde hij op een diepe manier.’

‘In veel popmuziek vind je de uitdrukking van een bepaald verlangen. Een paar jaar terug hadden we een kerstnachtdienst hier in onze wijk. Daarin proberen we altijd een popnummer te verwerken. Toen hebben we ‘Love somebody’ van Robbie Williams gebruikt. Dat is een soort liefdesliedje, een schreeuw om liefde. Maar als je zo’n liedje in zo’n dienst een plek geeft, dan wordt het een enorme schreeuw om liefde die het hart vervult. Dat vind ik vanuit mijn werk interessant, maar het resoneert ook heel sterk met mijn eigen zoektocht. Ik ben ook een verlangend mens. Deze muziek helpt mij dan om extra dankbaar te zijn: waar Robbie Williams om schreeuwt, vind ik in de liefde van Jezus Christus.’

Welke plek heeft muziek heel concreet in je dagelijks leven?
‘Muziek vergezelt me, op verschillende manieren en momenten. Al zijn er ook steeds meer momenten dat het stil wordt in m’n leven. In de auto neem ik bijvoorbeeld heel bewust één cd mee en dan probeer ik daar goed naar te luisteren. Ik wil me door de muziek en de woorden laten raken. Dat is natuurlijk wel de kunst bij muziek. We hebben een cultuur waarin muziek behang is geworden. Het wordt steeds moeilijker om alleen naar muziek te luisteren. Je doet er bijna altijd iets anders bij. Daarom vind ik het ook heel fijn dat de lp weer terug is. Het is gewoon heerlijk om met zo’n album in je hand te zitten en naar teksten te kijken. Dat is vergelijkbaar met het lezen van een goed boek. Zo’n moment levert me echt wat op. Ik ben een mens die vaak ‘in z’n hoofd zit’. Woorden en gedachten zijn belangrijk voor mij. Muziek boort via woorden en gedachten een andere laag aan. Het opent je hart.’

Je noemde net dat muziek vaak als behang wordt gebruikt. Gaan jongeren van nu op een andere manier om met muziek dan jij?
‘In mijn tijd keken we heel erg uit naar een bepaald album; je volgde de artiesten echt. Maar in die oceaan van muziek die we via Spotify kunnen downloaden, weet ik niet meer zo goed hoe dat werkt. Zonder als een oude man te willen praten: we lopen het risico dat we verdrinken in de overvloed van informatie die tot ons komt. Ik vind het wel belangrijk – en dat geldt voor alle informatie - dat we ons een beetje blijven oefenen in kiezen en echt aandacht geven aan dingen. Ik vind dat zelf al heel erg lastig, dus hoe is dat voor jongeren?

Hoe geef jij muziek een plek in de ontmoetingen die je met jongeren hebt?
‘Ik probeer het altijd in te brengen; als het even kan een liedje te laten horen. Muziek illustreert wat je op een andere manier bijna niet kunt zeggen. Je brengt iets van buiten naar binnen. Iets wat diep in de cultuur zit. Daardoor ga je sterker de verbinding tussen buiten en binnen maken. Het bevestigt mensen ook in de overtuiging dat wat in het christelijk geloof gaande is, geen onzin is. Liedjes kunnen deuren zijn waardoor mensen binnenstappen. Heel veel muziek in onze tijd brengt de verlangens van mensen onder woorden. Daar sluit het evangelie op aan.’

Maar hoe breng je dit over op mensen die niks met de vorm van muziek hebben of tegen de verpakking aanlopen?
‘Ik ben natuurlijk de laatste die iemand iets wil opleggen. Als mensen genoeg hebben aan ander vormen of alleen aan christelijke muziek, is dat helemaal oké. Misschien nog wel beter, ik weet het ook niet. Maar ik ben ervan overtuigd – ook in mijn bediening als predikant in de stad – dat popmuziek zo’n deel uitmaakt van de hele leefwereld en taal van mensen, dat het één van de communicatiemiddelen voor het evangelie is. Het boort een diepe laag in ons mens-zijn aan. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat ik zonder zou kunnen. In mijn denken over hoe we als kerk present zijn in de samenleving en aansluiting kunnen vinden bij mensen, is muziek voor mij bijna vanzelfsprekend.’

‘Er zijn twee modellen om naar popmuziek te kijken. Het ene model is het zwart-wit schema: het is van God of van de duivel. Dat model wordt het vaakst gebruikt. Maar er is ook een ander model mogelijk: het model van de algemene genade. In de film Amadeus stelt de vrome Salieri de vraag hoe het kan dat die losbol van een Mozart zulke hemelse muziek maakt. Mijn antwoord zou zijn: dat heeft met algemene genade te maken. Ik ben ervan overtuigd dat  – met alle spanning die je in de wereld van popmuziek kunt vinden – muzikanten mogelijkheden aan het licht hebben gebracht die in de schepping zitten. Maar dat geldt niet alleen voor popmuziek, dat geldt voor het hele leven. In de kern zit dat in de theologie van Calvijn. Hij was altijd op zoek naar de vonken van God, ook in de heidense cultuur. Abraham Kuyper heeft dat natuurlijk verder uitgewerkt en mensen als Tim Keller in New York hebben dat ook gebruikt om in gesprek te zijn met de cultuur van vandaag. Volgens mij is dat nog steeds een heel vruchtbaar uitgangspunt.’

‘Dus ik ben kritisch op popmuziek; er zijn donkere kanten, er is muziek waar je beter helemaal niets mee te maken kunt hebben. Maar er is ook veel muziek die ik vanuit de algemene genade positief kan waarderen. En misschien heeft die muziek ook wel een functie gehad in de manier waarop God deze wereld leidt. Zo groot zou ik het ook nog wel durven zeggen. Maar nogmaals: we hebben misschien allemaal onze eigen roeping. Dit is waar ik me toe geroepen voel.’

Welk pleidooi voer je voor het gebruik van muziek in het jeugdwerk?
‘Laten we in ieder geval zuinig zijn op jongeren die muziek serieus nemen. Al die jaren dat ik iets heb geroepen over popmuziek, heb ik hen op het oog gehad. Ik wil hen laten ervaren dat hun liefde voor popmuziek niet alleen maar problematisch is. Dus kijk goed om je heen als je een groep jongeren voor je hebt en erken dat er grote verschillen zijn. Ik moet denken aan die zanger uit Zeeland, broeder Dieleman, een jongen die in de vrijgemaakte kerk is opgegroeid. Toen hij op zijn club zijn gave en liefde voor muziek ging delen, werd hij geconfronteerd met argwaan. Voor hem was dat een reden om de kerk te verlaten en zijn oprechte zoektocht buiten de kerk voort te zetten. Zo’n voorbeeld moet ons stimuleren om zuinig te zijn op de creativiteit die jongeren hebben. Ik zou zeggen: zoek naar een gebalanceerde visie en laat je niet verleiden door allerlei zwart-wit schema’s waarmee we jongeren in een mal duwen. Theologisch hebben we daar ook geen reden voor.’

‘Het lijkt me ook goed om jongeren met het oog op onze missionaire roeping gevoelig te laten zijn voor de cultuur waarin we leven. Wat is de taal waarmee we mensen kunnen bereiken en waarin we iets kunnen vertellen over het evangelie? Daar kan muziek geweldig bij helpen. Niet alleen muziek trouwens, maar ja, dat heb ik al gezegd.’

I





dinsdag 16 september 2014

Marlene Dumas - The Image as Burden - Expositie Stedelijk Museum Amsterdam, 2014

Als kunstenaar ben ik geïnteresseerd in beelden’, zegt Marlene Dumas ergens in de catalogus van de tentoonstelling The Image as Burden (p. 61). Zo op het eerste gehoor een weinig verrassende opmerking, maar wie beter kijkt ontdekt dat dit een van de belangrijkste sleutels tot haar werk is. Alle schilderijen van Dumas zijn bewerkte beelden. Beelden uit de schilderkunst (Santa Lucia van Caravaggio), maar vooral ook beelden van onze tijd: foto’s en filmstills. Die beelden draagt de kunstenaar als een last met zich mee en vervolgens probeert ze ze zo te bewerken dat je er als kijker op een nieuwe manier in mee gesprek raakt. De kijker doet dus volop mee in het kunstwerk.

Om de kracht van de haar beelden te ervaren moet je ze trouwens wel in het echt zien. Levensgroot zijn ze vaak, met de bijzondere werking van haar kleurgebruik en penseelvoering. Mijn eerste kennismaking wás met het echte werk, tijdens de overrompelende expositie in het Stedelijk. De moeizame weg naar de betekenis van haar werk zoals David Goldblatt die beschrijft (hij leerde eerst afbeeldingen in catalogi kennen, p. 132) is mij dus bespaard gebleven. Deze eerste kennismaking maakte direct veel indruk op me, al wist ik niet zo goed waarom. Het lezen van de catalogus (en de prima teksten aan de muren) hebben me zeker verder geholpen. Ik zal daarom een paar keer naar deze teksten verwijzen.

Grote indruk maakte om te beginnen een klein doek van de dode Marilyn Monroe. 40 bij 50 cm meet het en het is gebaseerd op een autopsiefote van de in 1962 op 36-jarige leeftijd overleden stijlicoon. Zomaar opeens sta je heel dicht bij haar gezicht en in één klap besef je dat Dumas met dit portret een illusie ontmaskert.  De illusie van de door Monroe belichaamde schoonheid, die iconisch is geworden. De glamour van Holywood, maar ook van al die andere iconische beelden van schonen die ons omringen. ‘Verdwenen is de sprankeling, de aantrekkelijkheid, de onbezonnen jeugd’, lees ik (p. 141).  Dit dodenmasker – krijtwit, vlekkerig, ijskoud, dood – is een meditatie over vergankelijkheid. Een indrukwekkend memento mori dus. Maar wel –en dat grijpt me aan  - een memento mori zonder hoop.

Ook de serie Jesus Serene blijft me bij. 21 portretten van het gelaat van Jezus hangen, 7 horzontaal, 3 verticaal, bij elkaar. Sommige lijken op de klassieke beelden uit de schilderkunst, andere gezichten zijn veel hedendaagser. Heel verschillend zijn ze en dus wordt de vraag: Hoe zie ík Jezus? Wie is hij, wie is hij voor mij? Geen van de beelden geeft mij echter toegang tot zijn aanwezigheid. Er blijft iets van afstand en dat lijkt ook de bedoeling, getuige dit citaat van Dumas: ‘De gelaatsuitdrukkingen moesten een fysieke afwezigheid suggereren, alsof hij door je heen kijkt. Een gevoel van “Raak me niet aan.” En toch moest je je wel aangetrokken voelen tot deze man, ook al wilde hij je niet als vrouw of als materieel wezen.’ (p. 86). Dumas dwingt je, als 21e eeuwse kijker, dus tot een andere blijk maar ook tot een andere houding dan de schilders van de oude kerkelijke kunst. Die zochten een veel directere verbinding met Christus en wilden die bewerkstelligen bij de (devote) kijker. Die kans geeft Dumas haar kijkers niet en dat maakt haar werk zo indringend, maar ook zo complex.

In dat verband moet ik ook de levensgrote doeken van Jezus aan het kruis noemen. Dumas legt het moment vast waarop Jezus in de diepste godverlatenheid verkeert. De doeken tonen Jezus niet als het Lam van God dat de zonde van de wereld draagt, maar eerder als de bedrogen zoon, verlaten door zijn vader. In Solo zien we Jezus hangen tegen een lege, grauwe achtergrond, hoog boven de aarde. En op Gravità zien we allen de torso van Jezus, met zijn aan het kruis gespijkerde armen. De blik wordt getrokken naar de inktzwarte driehoek die tussen de armen en het hoofd te zien is. Dit is godverlatenheid! Fascinerend is, dat de beelden worden verbonden met een beeld van Phil Spector, die zich in de rechtbank moet verantwoorden voor moord; en met dat van Amy Winehouse, de zangeres die aan drank ten onder ging. De laatste twee portretten zijn klein, zeker in relatie tot de levensgrote die zijn voorbehouden aan Jezus, de Messias. Maar ook hun portretten getuigen van eenzaamheid, van verlatenheid. Godverlatenheid?

Marlene Dumas leert ons dus kijken naar de wereld zoals die is. Maar biedt haar werk ook iets overstijgends, biedt het ook hoop? Transcenderen haar beelden de beelden waarop ze gebaseerd zijn?  Mijn eerste neiging is daarop ontkennend te antwoorden. Dumas laat het leven zien zoals het is, niet zoals het zou kunnen of moeten zijn. Ze leert je kijken met andere ogen, maar waar je oog voor krijgt is: het lijden, de illusies, de dood.  Zelfs de Jezusbeelden verwijzen niet naar God (of het goddelijke), maar naar de condition humaine.  De diepste troost zit naar mijn idee in het mededogen waarmee Marlene Dumas zélf kijkt en weergeeft. Ze is geen meedogenloze, cynische beschouwer, maar een deelnemer die zich laat raken. En misschien is dat de hoogste troost die postmoderne kunst als deze kan bieden.


donderdag 12 december 2013

Martien E. Brinkman – Jezus incognito De verborgen Christus in de westerse kunst vanaf 1960





In 2003 hoorde ik, in New York, voor het eerst Tim Keller preken. Wat me enorm raakte in zijn preek was de manier waarop hij een aantal voorbeelden uit literatuur en film besprak. Het waren voor hem maar niet wat leuke illustraties om zijn eigen verhaal kracht mee bij te zetten, nee, hij was er echt mee in gesprek. De voorbeelden die hij noemde wierpen een nieuw licht op de persoon en het werk van Jezus Christus en tegelijkertijd kregen ze zelf in het licht van Christus ook een diepere en rijkere betekenis. Ik vond de manier waarop Keller Christus in gesprek bracht met de cultuur uiterst inspirerend en het wekte mijn verlangen zoiets in mijn eigen preken en theologische doordenking ook te doen.
De jaren daarna lukte het mij soms om te doen wat Keller deed, maar ik kwam er ook wel achter dat het echt een hele kunst is om dit gesprek tussen Christus en de cultuur aan te gaan. Je hebt er om te beginnen een goed instrumentarium voor nodig, anders kijk je er in de boeken die je leest en de films die je ziet finaal langsheen. Maar waar vind je dat instrumentarium?

Ik vond het tot nu toe in de essays van Willem Jan Otten, die een meester is het hierboven beschreven gesprek. Het literaire tijdschrift Liter (volgens mij een van de beste literaire tijdschriften van ons land) is voor mij ook een zeer inspirerende gids op dat gebied. Maar in dit rijtje past zeker ook het in 2012 verschenen boek Jezus incognito van hoogleraar interculturele theologie aan de VU Martien Brinkman.

De ondertitel van zijn boek is: de verborgen Christus in de westerse kunst vanaf 1960. Die woorden zijn veelzeggend en worden in het boek ook waargemaakt.  Brinkman ontwikkelt een handzaam instrumentarium om in literatuur, films en beeldende kunst sporen van Christus te vinden. Het doel van die zoektocht is niet, om een plaatje bij een theologisch praatje te vinden.  Dat dit vaak gebeurt is nu juist zijn verwijt aan de theologie en hij wil dan ook echt een stap verder gaan. De vaak verborgen sporen van Christus in de kunst helpen de theologie namelijk om de betekenis van Christus op het spoor te komen en dingen die we over het hoofd zagen alsnog te ontdekken.

Een belangrijk onderdeel van het instrumentarium van Brinkman zijn de vier kenmerken van Jezus’ leven: een roeping van hogerhand, een boodschap van een radicaal andere wereld, een eveneens van hogerhand ingegeven levensinzet ten behoeve van anderen en een levensvoltooiing, hem geschonken over de grens van de eigen dood heen.  Aan de hand van dit instrumentarium komt hij tot de volgende conclusie: ‘Filmmakers, schrijvers en beeldend kunstenaars hebben met deze kenmerken op hun netvlies steeds weer geprobeerd menselijke surpluservaringen met deze Jezus in verband te brengen.’

Een ander onderdeel van het instrumentarium wordt gevormd door vier transcendentie-opvattingen die hij formuleert. Doorgaans wordt met transcendentie ‘de nabijheid van het oneindige, het heilige, het onschendbare, het genadige of het eeuwige’ bedoeld. Denkend over Jezus komt hij dan op vier mogelijke opvattingen van zijn transcendentie. Allereerst een radicale transcendentie, zijn bestaan dat zich radicaal van het onze onderscheidt.  Wanneer we deze opvatting alleen horizontaal invullen noemen we het de transcendentie van het anders-zijn.  Maar zijn geheim is ook op te vatten als de dieptedimensie van ons bestaan. Dat noemt Brinkman de immanenente transcendentie.  De meest strikte opvatting hiervan kan dan weer radicale immanentie worden genoemd.

Met dit soort instrumenten in de hand gaat Brinkman allereerst aan de slag met vier films: Babette’s Feast (Gabriel Axel), Avondmaalsgasten (Ingmar Bergman), A Short Film About Love (Krysztof Kieslowski) en Breaking the Waves (Lars von Trier).  In kende de films alle vier, maar had zonder het instrumentarium van Brinkman heel veel verborgen Christus-elementen over het hoofd gezien. Als voorbeeld een klein stukje over Babette’s Feast . ‘In Babette’s Feast is het duidelijk dat Babette de enige is die de Christusrol vervult. Zij spreidt een groot roepingsbesef ten toon. Dat besef reikt zelfs over haar dood heen. Haar boodschap is het meest impliciet. Ik ben geneigd er drie aspecten in te herkennen: de overvloedigheid van het maal staat symbool voor de oneindigheid van Gods genade waar de generaal over sprak.  Vervolgens staat het feit van het maal zelf symbool voor het tastbare, concrete karakter van het heil. En tenslotte staat de brug die deze maaltijd slaat met haar geliefden, en ook met haar vijanden uit het verleden, model voor de verzoening tussen de leden van de geloofsgemeenschap in het heden. Nieuw is dat verzoening hier zo nadrukkelijk met het sensuele, het de smaakzintuigen prikkelende aspect van de maaltijd in verband wordt gebracht. Dat aspect heeft weliswaar nooit geheel in de traditionele avondmaalsliturgie ontbroken, maar was daar wel tot het uiterste minimum teruggebracht. ‘

In de afdeling proza en poëzie bespreekt Brinkman Het lam (Peter de Vries), In ongenade (J.M. Coetzee), De Joodse messias (Arnon Grunberg), Easter 1984 en Church (Les Murray) en Theologisch Tractaat (Czeslsaw Milosz). In de afdeling beeldende kunst (de kortste in het boek) bespreekt hij vier voorstellingen van het laatste avondmaal (Leonardo da Vinci, Andy Warhol, Frans Franciscus en Harald Duwes).


Het boek biedt dus geen uitputtend overzicht van werken waarin sporen van de verborgen Christus te vinden zijn, maar vooral een paar vingeroefeningen om de verborgen Christus op te sporen en er mee in gesprek te gaan. Voor iedereen die die zoektocht en dat gesprek wil aangaan is dit boek absoluut een aanrader

maandag 25 november 2013

Gijsbrecht van Amstel - Het Toneel Speelt - Stadsschouwburg 3 januari 2013

(Dit stuk schreef ik, voor eigen gebruik, een paar dagen na de voorstelling in januari. Met het oog op het Zondagavondgesprek met Ronald Klamer, op 1 december 2013, publiceer ik het nu alsnog)


Ik had me toch een beetje ingesteld op een typisch klassieke avond: je wéét dat het belangrijk is , maar je hart, je gevoel komt er niet in mee. Dat pakte heel anders uit: deze Gijsbrecht kwam dichtbij, ontroerde, sleepte mee. Daartoe droegen zeker de indrukwekkende reien van Willem Jan Otten  bij. De wonderlijke kracht van zijn poëzie verbond zich natuurlijkerwijs me die van Vondel en ontroerde zelfs zonder dat ik er alles van begreep. Bij nader inzien (ik vond de teksten op internet) school het geheim ook ditmaal -zoals zo vaak bij Otten - in de incarnatie, van de menswording van God. De geboorte van Christus, in kwetsbaarheid maar ook met alle geweld, als door de dood heen, wordt door Otten subtiel en rijk verbonden met de wedergeboorte van de verwoeste stad Amsterdam. De geboorte van Christus luidt de wedergeboorte van de verwoeste stad als het ware in. Vondel richtte zich meer op de vermoorde kinderen, de martelaren, die voorlopers waren van de martelaren die het zaad van de kerk zouden worden.

Het was een bijzondere ervaring, om in mijn eigen stad, waar God en kerk steeds meer naar de marge worden geduwd, zo'n theocentrisch en christocentrisch getuigenis mee te maken. En nog wel in het hart van de Amsterdamse cultuur, in de Stadsschouwburg. In deze versie van de Gijsbrecht, die zich waarlijk bekommert om de traditie en de vertolking daarvan, wordt het diepe geheim van Vondels leven en werk niet verzwegen of weg-geïnterpreteerd, maar juist vertolkt. Ik hoop dat deze Gijsbrecht nog jaren op de planken van Stadschouwburg zal staan.

Voor de voorstelling sprak ik even met Ronald Klamer, de artistiek directeur van Het Toneel Speelt. Hij had een inleiding op de voorstelling gegeven. Ik beloofde hem, mijn reactie naar hem toe te sturen. Die reactie voeg ik hier nog toe.

Om te beginnen ben ik verrast door de zeggingskracht van jullie vertolking. Ik had me mentaal voorbereid op een ervaring zoals ik die vaak heb bij klassiekers (boeken, films, toneelstukken): je weet dat het belangrijk is, maar je ervaart dat niet direct zo vanwege de afstand. In jullie interpretatie werd de afstand voor mij (en voor mijn echtgenote en een bevriend stel) op een natuurlijke manier overbrugd.  En dat terwijl jullie er niet voor kozen om helemaal aan de kant van de toeschouwer te gaan zitten, maar juist trouw te blijven aan tekst en de denkwereld van Vondel. Het stuk behield daarmee ook zijn theologische lading, hetgeen mij als predikant natuurlijk goed deed. Eerlijk gezegd vond het ik ronduit ontroerend dat in het hart van onze stad zo'n theologisch geladen stuk op de planken stond en dat jullie daar ook ambassadeurs van willen zijn. Je zei aan het eind van ons gesprekje: in feite zijn we gewoon met hetzelfde bezig en dat was ik wel met je eens. Oude teksten zo vertolken dat we ze geen geweld aan doen maar wel verstaanbaar laten worden, dat is de uitdaging.

De theologische lading werd uiteraard nog versterkt door de formidabele reien van Willem Jan Otten. Het was voor het eerst dat ik ze hoorde, maar ze grepen me meteen bij de kladden. Dat Otten er ook  hier voor gekozen heeft om het geheim van de incarnatie centraal te stellen vond ik indrukwekkend maar ook heel effectief. Vondel verbindt, als ik hem goed begrijp, de ellende van de stad vooral met de ellende van de door Herodes getroffen moeders. Een sterke en ontroerende identificatie van menselijk leed in verschillende tijden, maar Otten zoekt de verbinding via Christus zelf. Zijn geboorte, zijn vleeswording, betekent voor hem dat Christus zich identificeert met de dood en het verderf van die kerstnacht in Amsterdam. En door dat te doen kan hij, in de diepte, al over wedergeboorte en Pasen spreken. Bij Otten wordt het zo Kerst en Pasen op één dag, of ga ik nu te ver? Hoe dan ook: de benadering van Otten vanuit het hart van de klassieke Christologie geeft aan zijn reien (en het hele stuk) een enorme diepgang, zeker omdat het ook gewoon prachtige poëzie is. Prachtig voorgedragen ook.

En dan jullie keuze om de engel te vervangen door de geest van de verkrachte claris. Wat mij betreft een gouden greep, want op deze manier komt de 'bode van de opstanding' (want dat is ze toch) veel dichter bij de Opgestane te staan. De engel komt uit den hoge en representeert de hemelse heerlijkheid zonder noodzakelijke verbinding met geteisterde aarde. Sinds de vleeswording van Christus is de hemel echter juist verbonden met de aarde en dat representeerde deze bode voor mij. Ze droeg, delend in het hemelse leven, in feite de stigmata en en kon zo een overtuigende bode van de opstanding worden. Wat mij betreft een onvergetelijke scène!


maandag 18 november 2013

Het Canto Ostinato en de spirituele ruimte van het kerkgebouw

(Deze blog schreef ik juli 2013 voor de website van de Jeruzalemkerk).

Op 21 juni is in de Jeruzalemkerk het Canto Ostinato van Simen ten Holt uitgevoerd door Sandra en Jeroen van Veen. Voor mij ging daarmee een lang gekoesterde wens in vervulling: dit prachtige stuk een keer horen en beleven in 'mijn' eigen kerk.

Ik  zeg horen en beleven, want dat is precies wat er met het Canto gebeurt. In een onafgebroken reeks van pianoklanken werden we meegenomen op een muzikale reis die met geen andere te vergelijken is. Met de cadans van een treinreis word je meegenomen door een veelkleurig en afwisselend landschap. Er gebeurt van alles in je hoofd en in je hart en als de trein na anderhalf uur tot stilstand komt is het of je ontwaakt uit een droom.

Het was voor het eerst dat ik het Canto in de kerk hoorde, in de mij zo vertrouwde Jeruzalemkerk. Vooraf was ik benieuwd wat de ruimte van de kerk zou doen met het stuk en met de hoorders. Want inmiddels heb ik ontdekt dat alles wat in ons kerkgebouw gebeurt op een of andere manier naar een ander niveau wordt getild. Hoe dat werkt is voor mij nog steeds een geheim. Is het de architectuur of is het misschien de geestelijke atmosfeer van jarenlang bidden in deze ruimte?

 Na afloop, tijdens de borrel, kreeg ik de gelegenheid er met verschillende mensen over te spreken. En zij verzekerden me, dat het óók de architectuur maar vooral de 'spirituele ruimte' die zijn werk doet.  En dat woord 'ruimte' moeten we dan in dubbele zin van het woord verstaan. Het leverde mooie gesprekken op, daar in de kerkbankjes met een glas in de hand.

Al met al heeft het Canto Ostinato van 21 juni me opnieuw bevestigd in de betekenis is van ons kerkgebouw.  Het is een ruimte met een geheim!  En als het gebouw nu door zoveel mensen als een geestelijke ruimte wordt ervaren moet ons dat als Jeruzalemkerkgemeente te denken geven over wat onze roeping met dat gebouw is. Hoe kunnen we mensen gelegenheid geven in het gebouw te zijn en daar iets van die ruimte te ervaren? En wat kunnen we doen om vervolgens in gesprek te komen over de betekenis van die ervaring in het licht van het Evangelie?


Ik ben in elk geval dankbaar voor de ervaringen tijdens en na het Canto. Wordt vast vervolgd.

zaterdag 16 november 2013

Kerktuin in bloei

(Dit stukje verscheen onder de rubriek 'Pleisterplaats' in Kerk in Mokum)

Naast de Jeruzalemkerk ligt een tuin die er jarenlang dor en doods bijlag. Tot een kunstenaarsechtpaar uit de buurt zich er - samen met andere buurtgenoten en kerkleden - over ontfermden. Zij vatten het plan op om te gaan werken aan een eetbare tuin. Vol goede moed begonnen ze om plantjes te zaaien en te poten die de bodem zouden verrijken. En al gaande de weg kwamen er vruchtstruiken, maar ook pompoenen, courgettes en kruiden bij. Nu, na drie jaar is de tuin tot bloei gekomen en plukten we de eerste vruchten, niet in het minst tot vreugde van buurtbewoners. Een mooi voorbeeld van een bloeiend samenwerkingsproject tussen buurt en kerk. En één ding is duidelijk: daarmee gebeurt veel meer dan alleen tuinveredeling!

vrijdag 25 oktober 2013

Toespraakje bij opening expositie Henrique van Putten

(Toespraakje bij de opening van expositie in Museum Gouda, in 2006)

Henrique van Putten is een kunstenaar die zich laat inspireren door het geloof in God en door motieven uit de dierenwereld. In haar kunstwerken is ze dus bezig met de Schepper en met de schepping.

Als het gaat om spannende kunst vormen die uitgangspunten doorgaans een dodelijke combinatie. Want wat kun je verwachten, als je hoort dat een gelovige kunstenaar dieren verbeeldt? Mijn eerste gedachte is dan, dat het dan waarschijnlijk te doen is om een ongestoorde schoonheidservaring, bedoeld om met grote nadruk te laten zien hoe mooi die schepping wel is. Mijn eerste associatie brengt me in de buurt van wenskaarten met een bemoedigende tekst eronder, uiterst geschikt om een zieke vriendin te troosten in moeilijke tijden. Dit soort kunst heeft heel vaak iets geruststellends: zie je wel, het leven is wél mooi. Zo’n poesje, zo’n kleurige vogel: ze vertegenwoordigen iets paradijselijks en stellen je gerust in een complexe en in veel opzichten bedreigende wereld. Kortom: echt spannende kunst valt er van zo’n uitgangspunt doorgaans niet te verwachten.

Ik weet nog dat ik hoorde dat Henrique veel met stof werkt. Stof dacht ik: dat doe je toch als je quilts maakt? Het ziet er prachtig uit, maar het roept bij mij geen visioenen op van heftig discussierende kunstenaars in een rokerig café á la Monmartre. En als je je dan probeert voor te stellen hoe die dieren van stof er uit zien, probeer dan maar eens los te komen van het beeld van knuffels en teddyberen en dus van de gedachte van ‘slaap zacht, lief kindje’

Kortom: de uitgangspunten van Henrique vormen samen de voorwaarden voor weliswaar mooie maar vooral ook vrome en geruststellende kunst.
















*Tot je haar kunstwerken te zien krijgt. Vanaf de eerste aanblik ervaar je een totaal andere emotie dan ‘geruststelling’. Wat je ziet is namelijk heel veróntrustend. Je word van je stuk gebracht, uit je evenwicht geduwd en geconfronteerd met allerlei vragen.

Want ja: je ziet dieren, duidelijk herkenbaar. Ze hebben vaak prachtige kleuren en vertonen een bontheid waar een mensen normaal gesproken vrolijk van wordt. Maar van de eerste aanblik af weet je dat er iets mis is met deze dieren. Hoe kleurig ook, hoe aandoenlijk in hun dierlijkheid, wat je ziet is toch vooral: geweld en gebrokenheid. De kleuren getuigen van leven en levenslust, maar de houdingen en de verbeelde gebeurtenissen verraden dood en verderf of op zijn minst de dreiging daarvan. Er is sprake van eten, maar ook van gegeten worden. Er is sprake verbinding, maar vooral van dodelijke gebondenheid. Je ziet stukjes van de schepping, maar je ervaart de huiver van de gebrokenheid. Als je deze kunst ziet, zeg je niet: zie je wel, het leven is wel mooi. Maar wat je dan wel moet zeggen? Hoe je dan wel moet reageren?


Henrique vertelde me, dat mensen heel verschillend op haar werk reageren.