Posts tonen met het label Missionair kerkzijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Missionair kerkzijn. Alle posts tonen

zaterdag 13 januari 2018

Waarom de kerk apostelen nodig heeft


De kerk is in beweging. Sterker nog: de kerk wórdt steeds meer een beweging. Een beweging van kerken, nieuwe gemeenschappen, presentieplekken, netwerken. Minder institutioneel, minder statisch, dynamischer. Het spreekt vanzelf dat binnen deze beweging ook nieuwe vormen van leiderschap nodig zijn.  Pionierend leiderschap, netwerkend leiderschap, innovatief leiderschap, maar ook – en daar gaat het me hier om – apostolisch leiderschap. Wat bedoel ik daarmee?

Wat ik anderen zag doen
Sinds 2003 ben ik in toenemende mate betrokken bij het netwerk City to City, het op de grote steden van de wereld gerichte kerkplanters- en kerkvernieuwersnetwerk dat werd geïnspireerd door Tim Keller en zijn Redeemer Presbyterian Church in Manhattan.  Alles in dit netwerk is gericht op het vormen van ‘movements of the gospel’ in grote en invloedrijke steden van de wereld. Langzaam begon het me te dagen dat een van de geheimen van deze groeiende beweging lag bij een paar mensen die een apostolische rol vervulden. Tim Keller zelf, die veel meer was dan de dominee van een succesvolle kerk, want hij was vooral de inspirator van een beweging die zich als een olievlek over de wereld verspreidde.  Naast hem opereerden twee anderen – Al Barth en Jay Kyle – die de rol van katalysator vervulden: in allerlei steden waren ze beschikbaar voor advies, bemoediging en aanmoediging en dat bracht heel veel in beweging. Dit zijn voorbeelden van apostolisch leiderschap.

Wat ik zelf probeer(de)
Toen ik in 2014 begon als pioniersbegeleider binnen de Protestantse Kerk van Amsterdam nam ik een voorbeeld aan mensen als deze. Ik wist me geroepen om meer te zijn dan een coach of mentor, ik wilde ook werken aan een beweging in de stad. Dat betekende: de verschillende plekken met elkaar in een bezield verband brengen, werken aan theologie en passende vormen van kerkzijn, lessen ophalen in de hoop dat ze inspirerend zouden zijn voor een bredere beweging van het Evangelie in Amsterdam. Nu ik dat drie jaar gedaan heb en me opmaak voor een nieuwe periode van drie jaar (met een uitgebreider aanstelling), voel ik me bevestigd in de roeping om deze apostolische taak verder vorm te geven. Ik ben eigenlijk nog maar net begonnen, maar begin het een beetje voor me te zien. Ik praat erover, in allerlei verbanden en merk telkens dat het herkend en erkend wordt (uiteraard met de nodige vragen die ook overblijven).

Wat is apostelschap in deze tijd?
Er wordt in kringen waar gewerkt wordt aan de kerk van de toekomst weer veel nagedacht over het belang van de apostolische functie in onze tijd. Mike Breen doet dat bijvoorbeeld in zijn boek ‘Een cultuur van discipelschap’. Hij omschrijft een apostel zo: ‘Afkomstig van het Griekse woord apostolos, dat ‘iemand die uitgezonden is’ betekent. Apostelen hebben visie en een pioniersgeest, ze zijn altijd actief op nieuw territorium. Ze richten graag nieuwe kerken, bedieningen, non-profit organisaties en Koninkrijksgezinde ondernemingen op. Ze komen met innovatieve ideeën voor het werk in het koninkrijk.’ 


Als dit apostelschap is wil ik er heel graag een zijn!

maandag 21 september 2015

Muziek brengt verlangens van mensen onder woorden


Interview met Diane Palm, septembernummer Generator, magazine voor leidinggevenden in het jongerenwerk
Uitgave HGJB




Muziek hoort bij het leven van ds. Bas van der Graaf uit Amsterdam. Een goede reden dus om hem te bevragen op de rol die muziek speelt in zijn omgang met God. Bij de start van het gesprek klinkt enige aarzeling. ‘Het zou mooi zijn als meer predikanten voor dit onderwerp te benaderen waren. Maar vooruit…’

Neem ons eens mee, welke weg heeft muziek in je eigen leven afgelegd?
‘Ik kom uit een gezin waarin muziek geen grote rol speelde. In mijn middelbareschooltijd ging de wereld van muziek voor mij open. In de tweede klas zaten een paar jongens die zich intensief met popmuziek bezig hielden. Vooral met een bepaalde soort popmuziek, de meer alternatieve stroming zoals Pink Floyd, Deep Purple en dat soort stuff. Van meet af aan raakte die muziek me. We hadden een muziekdocent die ons leerde luisteren naar alle soorten muziek; ook de popmuziek nam hij heel serieus. Op mijn eigen kamertje ging de ontdekkingstocht door. Ik weet nog goed dat ik op Hemelvaartsdag stiekem naar boven sloop, want ik had gehoord dat er een Top 100 Allertijden was. Dat was gewoon fascinerend. Ik weet als de dag van gisteren wie er in de top 3 stond.’

Maar dat luisteren ging dus wel met enige spanning gepaard…
‘Ja, want mijn ouders mochten het niet weten. Ze zaten er niet verschrikkelijk boven op, maar toch moest ik voor mijn gevoel een beetje ‘onderduiken’. Op m’n kamertje ontwikkelde ik een dubbel gehoor: ik luisterde zowel naar de speaker als naar het kraken van de trap. Dat kon ik heel goed, allebei tegelijk. Vervolgens ging ik zelf lp’s verzamelen en kreeg ik van mijn oom een bandrecorder waarmee ik muziek kon opnemen. Natuurlijk zagen mijn ouders dat het rijtje muziek begon te groeien. Vooral de muziek van Pink Floyd sprak me aan. Als puber heb je toch een beetje gevoelens van zinloosheid. Pink Floyd raakte dat gevoel aan en dat gaf herkenning. Bij een aantal vrienden zag ik dat ze via de popmuziek op zoek gingen naar de donkere kant van het leven. Bij mij heeft het nooit die kant op gewerkt.’

‘In mijn tijd werd er nog niet enorm gediscussieerd over muziek. Popmuziek hoorde gewoon niet bij een gereformeerde geloofsbeleving. Het waren twee werelden voor mij. Op het moment dat ik theologie ging studeren en predikant wilde worden, kwam de golf van complottheorieën. Er werd gewaarschuwd voor de gevaren van omdraaimuziek. Toen heb ik voor de vraag gestaan: moet ik afstand nemen van popmuziek? Ik heb nooit één lp weggegooid of doorgebroken. Ik werd wel kritischer. Ik begon te onderkennen dat muziek van Pink Floyd – in mijn geval dan – mijn geloofsbeleving ging raken. In mijn jonge jaren heb ik ook wel momenten van een geloofscrisis meegemaakt, maar daar heb ik popmuziek nooit de schuld van gegeven. Ik ging wel meer op zoek naar positieve muziek. Ik ontdekte dat er veel muziek was die me in de juiste richting bracht, waaraan ik mijn geloof kon verbinden.’

Maar nu zeg je het vrij minimalistisch: ‘waaraan ik mijn geloof kon verbinden’, maar is het niet meer dan dat? Anders gezegd: welke positieve functie heeft muziek in je geloofsbeleving?
‘Ik heb er behoefte aan dat mijn geloof de werkelijkheid onder ogen ziet. Popmuziek is één van de kunstuitingen die dat vaak heel rauw en eerlijk doen. Daarom heb ik ook nooit zoveel gehad met gospelmuziek. Die muziek is wat mij betreft te snel klaar. Ik hoor in popmuziek vaak iets van de rauwheid van de psalmen en ook van de profeten. De bittere aanklacht tegen onrecht. Diezelfde rauwheid zoek ik vaak ook in de klassieke muziek. Ik heb bijvoorbeeld heel lang meer gehouden van Gustav Mahler dan van Bach, omdat Mahler ook zo’n existentialist was. Het lijden van deze wereld peilde hij op een diepe manier.’

‘In veel popmuziek vind je de uitdrukking van een bepaald verlangen. Een paar jaar terug hadden we een kerstnachtdienst hier in onze wijk. Daarin proberen we altijd een popnummer te verwerken. Toen hebben we ‘Love somebody’ van Robbie Williams gebruikt. Dat is een soort liefdesliedje, een schreeuw om liefde. Maar als je zo’n liedje in zo’n dienst een plek geeft, dan wordt het een enorme schreeuw om liefde die het hart vervult. Dat vind ik vanuit mijn werk interessant, maar het resoneert ook heel sterk met mijn eigen zoektocht. Ik ben ook een verlangend mens. Deze muziek helpt mij dan om extra dankbaar te zijn: waar Robbie Williams om schreeuwt, vind ik in de liefde van Jezus Christus.’

Welke plek heeft muziek heel concreet in je dagelijks leven?
‘Muziek vergezelt me, op verschillende manieren en momenten. Al zijn er ook steeds meer momenten dat het stil wordt in m’n leven. In de auto neem ik bijvoorbeeld heel bewust één cd mee en dan probeer ik daar goed naar te luisteren. Ik wil me door de muziek en de woorden laten raken. Dat is natuurlijk wel de kunst bij muziek. We hebben een cultuur waarin muziek behang is geworden. Het wordt steeds moeilijker om alleen naar muziek te luisteren. Je doet er bijna altijd iets anders bij. Daarom vind ik het ook heel fijn dat de lp weer terug is. Het is gewoon heerlijk om met zo’n album in je hand te zitten en naar teksten te kijken. Dat is vergelijkbaar met het lezen van een goed boek. Zo’n moment levert me echt wat op. Ik ben een mens die vaak ‘in z’n hoofd zit’. Woorden en gedachten zijn belangrijk voor mij. Muziek boort via woorden en gedachten een andere laag aan. Het opent je hart.’

Je noemde net dat muziek vaak als behang wordt gebruikt. Gaan jongeren van nu op een andere manier om met muziek dan jij?
‘In mijn tijd keken we heel erg uit naar een bepaald album; je volgde de artiesten echt. Maar in die oceaan van muziek die we via Spotify kunnen downloaden, weet ik niet meer zo goed hoe dat werkt. Zonder als een oude man te willen praten: we lopen het risico dat we verdrinken in de overvloed van informatie die tot ons komt. Ik vind het wel belangrijk – en dat geldt voor alle informatie - dat we ons een beetje blijven oefenen in kiezen en echt aandacht geven aan dingen. Ik vind dat zelf al heel erg lastig, dus hoe is dat voor jongeren?

Hoe geef jij muziek een plek in de ontmoetingen die je met jongeren hebt?
‘Ik probeer het altijd in te brengen; als het even kan een liedje te laten horen. Muziek illustreert wat je op een andere manier bijna niet kunt zeggen. Je brengt iets van buiten naar binnen. Iets wat diep in de cultuur zit. Daardoor ga je sterker de verbinding tussen buiten en binnen maken. Het bevestigt mensen ook in de overtuiging dat wat in het christelijk geloof gaande is, geen onzin is. Liedjes kunnen deuren zijn waardoor mensen binnenstappen. Heel veel muziek in onze tijd brengt de verlangens van mensen onder woorden. Daar sluit het evangelie op aan.’

Maar hoe breng je dit over op mensen die niks met de vorm van muziek hebben of tegen de verpakking aanlopen?
‘Ik ben natuurlijk de laatste die iemand iets wil opleggen. Als mensen genoeg hebben aan ander vormen of alleen aan christelijke muziek, is dat helemaal oké. Misschien nog wel beter, ik weet het ook niet. Maar ik ben ervan overtuigd – ook in mijn bediening als predikant in de stad – dat popmuziek zo’n deel uitmaakt van de hele leefwereld en taal van mensen, dat het één van de communicatiemiddelen voor het evangelie is. Het boort een diepe laag in ons mens-zijn aan. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat ik zonder zou kunnen. In mijn denken over hoe we als kerk present zijn in de samenleving en aansluiting kunnen vinden bij mensen, is muziek voor mij bijna vanzelfsprekend.’

‘Er zijn twee modellen om naar popmuziek te kijken. Het ene model is het zwart-wit schema: het is van God of van de duivel. Dat model wordt het vaakst gebruikt. Maar er is ook een ander model mogelijk: het model van de algemene genade. In de film Amadeus stelt de vrome Salieri de vraag hoe het kan dat die losbol van een Mozart zulke hemelse muziek maakt. Mijn antwoord zou zijn: dat heeft met algemene genade te maken. Ik ben ervan overtuigd dat  – met alle spanning die je in de wereld van popmuziek kunt vinden – muzikanten mogelijkheden aan het licht hebben gebracht die in de schepping zitten. Maar dat geldt niet alleen voor popmuziek, dat geldt voor het hele leven. In de kern zit dat in de theologie van Calvijn. Hij was altijd op zoek naar de vonken van God, ook in de heidense cultuur. Abraham Kuyper heeft dat natuurlijk verder uitgewerkt en mensen als Tim Keller in New York hebben dat ook gebruikt om in gesprek te zijn met de cultuur van vandaag. Volgens mij is dat nog steeds een heel vruchtbaar uitgangspunt.’

‘Dus ik ben kritisch op popmuziek; er zijn donkere kanten, er is muziek waar je beter helemaal niets mee te maken kunt hebben. Maar er is ook veel muziek die ik vanuit de algemene genade positief kan waarderen. En misschien heeft die muziek ook wel een functie gehad in de manier waarop God deze wereld leidt. Zo groot zou ik het ook nog wel durven zeggen. Maar nogmaals: we hebben misschien allemaal onze eigen roeping. Dit is waar ik me toe geroepen voel.’

Welk pleidooi voer je voor het gebruik van muziek in het jeugdwerk?
‘Laten we in ieder geval zuinig zijn op jongeren die muziek serieus nemen. Al die jaren dat ik iets heb geroepen over popmuziek, heb ik hen op het oog gehad. Ik wil hen laten ervaren dat hun liefde voor popmuziek niet alleen maar problematisch is. Dus kijk goed om je heen als je een groep jongeren voor je hebt en erken dat er grote verschillen zijn. Ik moet denken aan die zanger uit Zeeland, broeder Dieleman, een jongen die in de vrijgemaakte kerk is opgegroeid. Toen hij op zijn club zijn gave en liefde voor muziek ging delen, werd hij geconfronteerd met argwaan. Voor hem was dat een reden om de kerk te verlaten en zijn oprechte zoektocht buiten de kerk voort te zetten. Zo’n voorbeeld moet ons stimuleren om zuinig te zijn op de creativiteit die jongeren hebben. Ik zou zeggen: zoek naar een gebalanceerde visie en laat je niet verleiden door allerlei zwart-wit schema’s waarmee we jongeren in een mal duwen. Theologisch hebben we daar ook geen reden voor.’

‘Het lijkt me ook goed om jongeren met het oog op onze missionaire roeping gevoelig te laten zijn voor de cultuur waarin we leven. Wat is de taal waarmee we mensen kunnen bereiken en waarin we iets kunnen vertellen over het evangelie? Daar kan muziek geweldig bij helpen. Niet alleen muziek trouwens, maar ja, dat heb ik al gezegd.’

I





vrijdag 29 augustus 2014

Mindful met Jezus

Philip Troost, Mindful met Jezus

Recensie voor Friesch Dagblad, augustus 2014


Mindfulness is in Nederland met een gestage opmars bezig. Steeds meer mensen zoeken in onze gestresste tijd hun heil bij deze meditatieve techniek, die zijn oorsprong heeft in het boeddhisme. Als ik in dit verband de uitdrukking ‘heil zoeken’ gebruik moet ik wel even nuanceren. Voor veel mensen is mindfulness geen religieuze heilsweg, maar eerder een oefening in psychisch welbevinden. Dit was ook precies de bedoeling van de Amerikaanse hoogleraar psychiatrie, dr. Jon Kabat-Zinn, die het begrip mindfulness als eerste uit de boeddhistische context haalde, om het op die manier bruikbaar te maken voor de medische praktijk. Inmiddels hebben zo ook veel christenen die last hebben van piekeren of stress kennisgemaakt met deze aandachtsoefeningen.

Toch blijft het een spannende vraag of we deze van oorsprong boeddhistische praktijk als waardeneutraal kunnen beschouwen. Haalt de kerk daarmee niet een paard van Troje binnen? Met die vraag begint Philip Troost zijn boekje Mindful met Jezus. Troost werkt in een praktijk voor transpersoonlijke therapie en pastoraat. Hij houdt zich al zo’n dertig jaar bezig met vormen van mindfulness. Hij is er van overtuigd dat deze praktijk heilzame kanten heeft, en hij vindt  dat christenen er dankbaar gebruik van mogen maken. Het is een ‘mogelijkheid’ die God zelf in zijn schepping heeft gelegd.  Met een zekere felheid schrijft hij in zijn inleiding: ‘Ik voel me echt pijnlijk verontwaardigd over hoeveel moois van God wij als westerse christenen zijn kwijtgeraakt, en dat ik vaak niet-christenen nodig heb en oosters georiënteerde denkers om hier achter te komen.’ En  even later: ‘In de cultuur van de oosterse religies heeft men gemakkelijker feeling kunnen houden met bepaalde levenswetten en wijsheden die God in de schepping heeft gelegd, dan wij hier in het Westen.’ In deze lijn  ontwerpt hij in zijn boek dan ook geen mindfulnessprogramma met een christelijk sausje, maar een ‘eigen programma met daarin alle basisingrediënten van de “gewone”  mindfulnesstraining verwerkt. We pakken als het ware terug wat we als westerse christenen kwijtgeraakt waren.’

Ik vind in de inzet en aanpak van Troost in veel opzichten vruchtbaar en overtuigend. Op creatieve wijze brengt hij de verschillende basisingrediënten van mindfulness in verbinding met de grote bijbelse en christelijke thema’s. Mooi vond het ik het hoofdstuk ‘Genieten van genade’, waarin hij duidelijk maakt hoe de bijbelse genadeleer kan leiden tot een praktijk van ‘aanvaarden wat er is zonder te oordelen’ - een van de kernnoties van mindfulness. Sprekend vind ik ook zijn voorstel om de term ‘inwezigheid’ te gebruiken als aanduiding van het ‘afstemmen’ op de Gods aanwezigheid in het geschapen leven hier en nu.
Maar een beetje gekunsteld is zijn redeneertrant af en toe wel. Troost maakt graag gebruik van woordspelingen die hem helpen om verbindingen te maken die theologisch-inhoudelijk nogal hachelijk zijn. Maar dat doet niets af van het feit dat Troost een overtuigend pleidooi houdt om de behulpzame kanten van mindulness niet ongebruikt te laten liggen. Voor mijn eigen bezinning op de kerkelijke praktijk in Amsterdam helpt dit in elk geval zeer, want hoe je het ook wendt of keert: mindfulness is voor de kerk van vandaag een groeiende uitdaging.




woensdag 14 mei 2014

Orthodox en vernieuwend

Bijdrage aan het EO-symposium ‘Kerk in verval .. of in verandering?’.

Het gehele symposium, inclusief deze bijdrage, is te bekijken op:


De Jeruzalemkerk in Amsterdam-West kent een bewogen geschiedenis van verandering, verval en wederopstanding. In de snel veranderende cultuur van de stad en de buurt moest ze zichzelf steeds opnieuw uitvinden, regelmatig balancerend op het randje van de afgrond. Anno 2014 is de Jeruzalemkerk een jonge, vitale maar ook kwetsbare gemeenschap in een dynamische buurt van de stad. Een gemeente die onderweg zaken en mensen verloren is, maar ook telkens weer nieuwe mensen weet te verbinden, de laatste tijd in toenemende mate ook nieuwe gelovigen.

Wat houdt onze gemeenschap staande en gaande op dit moment? Feit is dat we steeds minder kunnen terugvallen op geijkte en vertrouwde kaders. Of het nu gaat om liturgische vormgeving, om de definitie van lidmaatschap en zelfs als het gaat om de leer: op niets van dit alles kunnen we nog vanzelfsprekend terugvallen. Telkens moeten we zoeken naar manieren waardoor mensen zich kunnen verbinden aan Christus en de gemeenschap van zijn leerlingen. Dat dit spannend is en voor sommige mensen bijna ondraaglijke onzekerheid met zich meebrengt hoef ik neem ik aan niet uit te leggen.

Toch zitten we de afgelopen jaren doorgaans niet in de verliesmodus, integendeel. Met vreugde en hernieuwde energie zijn we gaan ontdekken dat al die op het eerste gezicht onzekere factoren ook veel ruimte bieden voor herontdekking van het evangelie en voor de ontmoeting met zoekers die vinders worden. We zijn een soort laboratorium voor de kerk van de toekomst geworden, om een uitdrukking van Stefan Paas te gebruiken.

Het wegvallen van afgebakende buitengrenzen van de gemeente stimuleerde ons om te ontdekken wat ons samenbindt vanuit de kern. Jaren geleden vond ik daarvoor bij Hirsch en Frost, in hun boek The Shaping of Things to Come, een metafoor die prominent in ons beleidsplan terecht is gekomen. In Australië hebben veeboeren vaak enorme kuddes die ze weiden op enorme vlakten. Daarbij is het ondenkbaar de kudde bij elkaar te houden door een hek. Wat ze doen is dit: ze brengen de dieren bij een bron, waar de dieren uit drinken, even vandaan lopen en weer terugkeren. Zo wordt de kudde vanuit de bron bijeen gehouden.

En eigenlijk is dat op dit moment het geheim van onze gemeente. In het hart van de gemeenschap ligt de open bijbel, in alle kwetsbaarheid, als bron van levend water. De bijbel dus, niet een kerkelijke leer of een geijkte visie. De bijbel, die in alle veelkleurigheid aan het woord mag komen. En rondom de bijbel verzamelen zich mensen, in kerkdiensten, in cursussen, op kringen, in persoonlijke gesprekken. Vaak gebeurt dat op de galerij in de kerk, die we inmiddels hebben verbouwt tot ontmoetingsruimte en waar we, bij kaarslicht en met eten ontmoeting organisren. We hebben een bijbelklasje waar 5 a 6 mensen zonder enige kerkelijke achtergrond onbevangen zitten te lezen. We hebben een verdiepingscursus waar zoekers en belijdeniscatechisanten samen optrekken om, volgens het oecumenisch leesrooster, te ontdekken wat de bijbel in hun leven betekent. En in cirkels daaromheen organiseren we  bijvoorbeeld filmavonden voor de buurt waar we 300 aanwezige jonge hippe Amsterdammers dan vrijmoedig uitnodigen om ook eens bijbel te komen lezen wat sommigen nog doen ook.

En op een of andere manier is het gelukt om daar ruimte te scheppen voor heel verschillende mensen. Mensen ervaren ruimte om vanuit hun eigen zoektocht en met hun eigen gedachten te proeven hoe het levende water van de Bijbelse boodschap smaakt. Ruimte om in hun eigen tempo te groeien en tot overgave aan Christus te komen. Niet vrijblijvend, maar ook niet dwingend. Het is de ruimte van de vrijheid in Christus, denk ik.

Misschien is dat wel mijn grootste ontdekking in mijn Amsterdamse jaren. Dat orthodoxie niet gelijk staat aan starre stolling, maar juist ruimte schept voor steeds weer nieuwe mensen om zich te verbinden met Jezus Christus en zijn gemeenschap. In de afgelopen drie jaar lieten 7 nieuwe gelovigen zich dopen in de Paasnacht (door onderdompeling trouwens, omdat dat symbool paste bij de radicaliteit van hun geloofskeuze). Een grotere groep haakte niet af maar bleef of raakte verbonden. Met elkaar proberen we zo te leven in de ruimte die God schept met zijn eigen woorden. Een ruimte die open is naar buiten, met alle kwetsbaarheden en kansen van dien. In die ruimte geloof ik, te midden van alle afval en verandering.


Als ik tenslotte drie adviezen mag geven: schep ruimte, geloof in de kracht van de bijbel en vrees niet op de rand van de afgrond.