vrijdag 25 oktober 2013

Toespraakje bij opening expositie Henrique van Putten

(Toespraakje bij de opening van expositie in Museum Gouda, in 2006)

Henrique van Putten is een kunstenaar die zich laat inspireren door het geloof in God en door motieven uit de dierenwereld. In haar kunstwerken is ze dus bezig met de Schepper en met de schepping.

Als het gaat om spannende kunst vormen die uitgangspunten doorgaans een dodelijke combinatie. Want wat kun je verwachten, als je hoort dat een gelovige kunstenaar dieren verbeeldt? Mijn eerste gedachte is dan, dat het dan waarschijnlijk te doen is om een ongestoorde schoonheidservaring, bedoeld om met grote nadruk te laten zien hoe mooi die schepping wel is. Mijn eerste associatie brengt me in de buurt van wenskaarten met een bemoedigende tekst eronder, uiterst geschikt om een zieke vriendin te troosten in moeilijke tijden. Dit soort kunst heeft heel vaak iets geruststellends: zie je wel, het leven is wél mooi. Zo’n poesje, zo’n kleurige vogel: ze vertegenwoordigen iets paradijselijks en stellen je gerust in een complexe en in veel opzichten bedreigende wereld. Kortom: echt spannende kunst valt er van zo’n uitgangspunt doorgaans niet te verwachten.

Ik weet nog dat ik hoorde dat Henrique veel met stof werkt. Stof dacht ik: dat doe je toch als je quilts maakt? Het ziet er prachtig uit, maar het roept bij mij geen visioenen op van heftig discussierende kunstenaars in een rokerig café á la Monmartre. En als je je dan probeert voor te stellen hoe die dieren van stof er uit zien, probeer dan maar eens los te komen van het beeld van knuffels en teddyberen en dus van de gedachte van ‘slaap zacht, lief kindje’

Kortom: de uitgangspunten van Henrique vormen samen de voorwaarden voor weliswaar mooie maar vooral ook vrome en geruststellende kunst.
















*Tot je haar kunstwerken te zien krijgt. Vanaf de eerste aanblik ervaar je een totaal andere emotie dan ‘geruststelling’. Wat je ziet is namelijk heel veróntrustend. Je word van je stuk gebracht, uit je evenwicht geduwd en geconfronteerd met allerlei vragen.

Want ja: je ziet dieren, duidelijk herkenbaar. Ze hebben vaak prachtige kleuren en vertonen een bontheid waar een mensen normaal gesproken vrolijk van wordt. Maar van de eerste aanblik af weet je dat er iets mis is met deze dieren. Hoe kleurig ook, hoe aandoenlijk in hun dierlijkheid, wat je ziet is toch vooral: geweld en gebrokenheid. De kleuren getuigen van leven en levenslust, maar de houdingen en de verbeelde gebeurtenissen verraden dood en verderf of op zijn minst de dreiging daarvan. Er is sprake van eten, maar ook van gegeten worden. Er is sprake verbinding, maar vooral van dodelijke gebondenheid. Je ziet stukjes van de schepping, maar je ervaart de huiver van de gebrokenheid. Als je deze kunst ziet, zeg je niet: zie je wel, het leven is wel mooi. Maar wat je dan wel moet zeggen? Hoe je dan wel moet reageren?


Henrique vertelde me, dat mensen heel verschillend op haar werk reageren.


donderdag 24 oktober 2013

Participatie in de buurt

Deze column werd geschreven voor Woord & Dienst, oktober 2013

Eerlijk gezegd keek ik niet zo op van de oproep van onze koning. Dat we ons (zouden moeten) ontwikkelen richting een participatiemaatschappij hebben wij in Amsterdam-West ook als kerk zien gebeuren. In de afgelopen vijf jaar ging het stadsdeel steeds intensiever inzetten op buurtinitiatieven en participatie van buurtbewoners. En was er eerst nog de nodige terughoudendheid richting de kerk, inmiddels doen en tellen we volop mee.

Onze buurtdiaken ging sloot zich aan bij een door de buurtcoördinator opgezet overleg over de leefbaarheid van het plein waaraan de Jeruzalemkerk staat. De kerk bleek al snel de enige betaalbare locatie voor dat overleg, dus werden wij gastheer. Als tegenprestatie zijn alle deelnemers van deze groep gastheer en gastvrouw geworden van de stille werkplekken die we op vrijdag aanbieden op een verbouwde galerij van onze kerk.

Zelf ben ik gevraagd om zitting te nemen in de zogenaamde regiegroep voor onze buurt. In die club wordt het geld van het buurtbudget toegewezen aan aanvragers van buurtinitiatieven. Voor mij heel leerzaam en de groep vindt het wel mooi dat er ook een dominee bij zit.
Ik ben eigenlijk best onder de indruk gekomen van de inzet van bewoners voor hun buurt. Of liever: ik voel me soms een beetje beschaamd. In de kerk hebben we het vaak over de roeping om de vrede voor de buurt te zoeken, maar anderen lopen daar maar al te vaak in voorop. Ik heb zeker niet de illusie dat we op dit terrein voorlopers zijn, maar ben wel blij dat we wat anderen doen kunnen versterken.

Toch zit er ook wel iets spannends en kwetsbaars aan die participatiesamenleving. Ik zie vaak dezelfde mensen verschijnen bij de verschillende initiatieven, dus lang niet alle bewoners doen mee. Veel van deze mensen moeten zich - bijvoorbeeld omdat ze werken - beperken tot losse activiteiten. Structurele inzet is zeker niet vanzelfsprekend. En hoezeer de stadsdeelbestuurders ook geloven in het belang van participatie, er zit toch ook de noodzaak tot bezuinigen achter.

Het blijft dus allemaal een beetje kwetsbaar met die participatiesamenleving. De oplossing van alles zal het niet zijn. Maar ik bedenk me telkens weer, dat we als kerk wel aan die kwetsbaarheid gewend zijn. De dienst aan de wereld heeft altijd het karakter van een teken van het koninkrijk gehad. De kerk is niet geroepen om de wereld te verbeteren, maar om tekenen op te richten van de nieuwe wereld die God maakt.  Het gaat dus meer om het voeden van de hoop dan om het oplossen van alle problemen.


Het zou wel eens zo kunnen zijn dat dit ook het enig haalbare 

Franciscus

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik heb nog nooit zoveel seculieren en protestanten zó vaak en zó positief over de paus horen praten. Zelfs  het Parool moet het schoorvoetend toegeven: paus Franciscus is een man met charisma.

Mij hield deze zomer de vraag bezig in hoeverre de man naar wie deze paus zich laat noemen - Franciscus van Assisi - inderdaad een voedingsbron voor zijn charisma is. Jaren geleden kocht ik een boekje met de geschriften van de man uit Spoleto, maar echt geraakt werd ik niet. Dit jaar, tijdens een vakantie in Umbrië, in buurt van Assisi, nam ik het boekje weer mee en werd ik enorm getroffen door wat ik las. Zeker toen ik, een halve dag lang, al lezend en mediterend in de benedenkerk van Assisi doorbracht. Om mij heen waren de fresco's met afbeeldingen van het leven van Franciscus, die uitnodigen om als het ware een kleine pelgrimage te maken. Ik nam de uitnodiging aan en stond stil bij vijf kernmomenten op de weg van de navolging van Christus door Franciscus.

De eerste statie toont Franciscus die zijn bezittingen aflegt om werkelijk vrij te worden om Jezus te gehoorzamen en te volgen. De tweede statie toont de roeping van Franciscus om de kerk te herstellen. De derde statie  zet ons stil bij Franciscus' oproep aan de vogels om hun Schepper te prijzen. De vierde statie  laat zien hoe hij de stigmata ontvangt, als een intensieve uitdrukking van zijn gelijkvormig worden aan Christus. Op de laatste statie begroet Franciscus op zijn sterfbed met vreugde zijn zuster de dood.  Bij iedere statie heb ik stilgezeten, een uur lang, om te kijken, te lezen in de geschriften die Franciscus naliet en te bidden met zijn gebeden.

Op deze kleine pelgrimage ben ik diep onder de indruk gekomen van de diepe eenvoud van Franciscus' spiritualiteit. Of moet ik zeggen: de eenvoudige diepte? Hoe dan ook: alles in het leven en het werk van deze heilige staat in het teken van de gehoorzaamheid aan Christus. Dus: als je bezit een sta in de weg wordt voor de ware navolging, moet je het eenvoudigweg afleggen. Vanwege die eenvoud stond Franciscus dan ook heel dicht bij de mensen en zagen mensen het beeld van Christus in hem.


Ik geloof dat het een zegen is dat deze paus zich zo duidelijk identificeert met Franciscus. Zijn keuze voor de armen, zijn eenvoudige levensstijl en zijn concentratie op de navolging van Jezus zijn precies wat de kerk (en de wereld) vandaag nodig heeft. Mij geeft het in elk geval zeer te denken.  En te bidden, bijvoorbeeld met het prachtige gebed dat aan Franciscus van Assisi wordt toegeschreven en dat zo luidt:

Gebed om Vrede
Heer, maak mij tot instrument van uw vrede:
- dat ik, waar haat is, liefde breng;
- waar schuld is, vergeving;
- waar tweedracht is: eenheid;
- waar dwaling is: waarheid;
- waar twijfel is: geloof;
- waar wanhoop is: hoop;
- waar duister is: licht;
- waar narigheid is: blijheid.
Geef, dat ik zoek
niet zozeer getroost te wórden, als wel te troosten;
niet zozeer begrepen te wórden, als wel te begrijpen;
niet zozeer bemind te wórden, als wel te beminnen.
Want wie geeft, ontvangt;
wie zichzelf vergeet, vindt zichzelf;

wie vergeeft, wordt vergeven;
wie sterft, krijgt eeuwig leven.
Amen.

De noodzaak van een gemengde liturgie en liedcultuur

Steeds meer gereformeerde twintigers beleven meer aan de vormen en rituelen uit de Rooms Katholieke en vroegkerkelijke traditie dan aan de hedendaagse praisemuziek, betoogt Bas van der Graaf tijdens een studiedag van Kontekstueel ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van dit tijdschrift.

Mijn uitgangspunt is dat de liturgie en de liedcultuur van een gemeente dienstbaar moeten zijn aan het innen én het uiten van het geloof op het niveau van hoofd, hart en lichaam.
Ik geloof dat dit juist in de gereformeerde traditie altijd beseft is. Door te zingen geeft de gemeente uiting aan het geloof en de geloofervaring, maar int zij het geloof ook. Dat gebeurt op het niveau van het hoofd (we moeten weten wat we zingen) maar ook op het niveau van het hart (we ervaren ook wat we zingen) en zelfs op het niveau van het lichaam (bijvoorbeeld door het ritme). Maar welke liederen zijn daar vandaag werkelijk dienstbaar aan?

Op grond van mijn ervaring in Amsterdam moet ik (zeker ook tot mij spijt) tot de volgende stelling komen: De klassieke liederen van de kerk (Geneefse Psalmen, Gezangen uit het Liedboek) sluiten qua taal en muzikaliteit niet meer aan bij de belevingswereld van steeds meer mensen vandaag en schieten dus tekort met het oog op het in stelling 1 gestelde. Dat is een stevige stellingname en ik ben zeker niet van plan me er zomaar bij neer te leggen, maar hij doet wel recht aan de feiten. Ik zie het voor mijn ogen gebeuren als we zingen: de mond beweegt, maar het hart zit er niet zichtbaar in en of het hoofd wordt aangesproken vraag ik me ook af. Uit wat vooral jonge mensen me vertellen constateer ik op zijn minst dat ze echt moeite hebben om mee te komen in de (muzikale) taal van die liederen. En dat zijn bij ons niet de liederen uit de Oude Berijming, maar die van het Liedboek van de kerken. Uiteraard geldt dit niet voor iedereen, maar ik zie zeker een trend.

Een paar jaar geleden volgde ik een door prof. Kees van de Kooi en Kees van Setten geven cursus over 'gemengde liedculturen'. Zijn voerden daar een pleidooi dat ik sindsdien in mijn hart heb gesloten en in een stelling op tafel leg: In onze tijd is een gemengde liedcultuur nodig, waarbij klassieke liederen worden aangevuld en versterkt door liederen uit andere tradities. Voor het woord mengen werd tijdens de cursus het woord 'blending' gebruikt. Niet in de zin van een 'blender', maar in de zin van het mengen van smaken en geuren op zo'n manier dat ze afzonderlijk te proeven of te ruiken zijn. Willen we vandaag de dag onze gemeenten het geloof door middel van liturgie en lied laten innen én uiten dan zal daarvoor naar een gemengde liturgie moeten worden gezocht. En wereldwijd lijkt die zoektocht juist in protestantse kerken volop gaande. Het is daarbij mijn groeiende overtuiging dat juist een gemengde liturgie een nieuwe generatie kan helpen om zich ook de oude liederen toe te eigenen.

Maar waarmee moet de klassieke liturgie dan gemengd worden? Ik denk in twee richtingen. De eerste: Opwekkingsliederen komen ten dele tegemoet aan het innen en uiten van het geloof voor mensen vandaag en moeten worden aangevuld met onder andere Taizéliederen, Psalmen voor Nu en af en toe een goede popsong. Ik erken hiermee, dat we in een gemeente als de onze (voorlopig?) niet meer om opwekkingsliederen heen kunnen. Ze helpen in elk geval om het geloof te uiten. Toch is ook de bandbreedte van de opwekkingliederen te smal en zijn ook hedendaagse liederen uit een ander register nodig. De genoemde andere liederen helpen ons daarin verder.
De tweede denkrichting ligt in het verlengde hiervan: Steeds meer gereformeerde twintigers beleven meer aan de vormen en rituelen uit de Rooms Katholieke en vroegkerkelijke traditie dan aan de hedendaagse praisemuziek. Ik zeg het met een slag om de arm, maar bij de jongeren die ik in de stad ontmoet is er zeker wat van waar.

Misschien is de situatie in Amsterdam niet vergelijkbaar met veel andere plekken in het land. Maar als ik het goed beluister leeft in alle gemeenten die zich tot de gereformeerde traditie rekenen het diepe verlangen naar een liturgie en liedcultuur die werkelijk dienstbaar is aan het innen en uiten van het geloof. Daar zullen we wat mee moeten.

Dit artikel verscheen eerder in het Nederlands Dagblad

woensdag 23 oktober 2013

Mediacratisering

(Deze blog verscheen in 2012 op de website van de Protestantse Kerk in Amsterdam, met het oog op de landelijke verkiezingen)


De rol van de media lijkt bij deze verkiezingen groter dan ooit. Er is al veel over gezegd, maar ik doe ook een duit in het zakje. Omdat het me bezig houdt wat die 'mediacratisering' van het politieke landschap betekent.

Met een groep predikanten en kerkelijk werkers volg ik momenteel een mediatraining. Het hele spectrum komt voorbij. Maar de rode lijn is toch wel: als je wilt meedoen in de  media, zul je je aan de spelregels van die media moeten houden. Iedere sessie is er wel weer een andere collega die daar vanuit zijn of haar verlangen naar waarheid en echtheid tegen in het geweer komt. En iedere sessie is het antwoord hetzelfde: take it or leave it. Zo werkt het nu eenmaal. Maak er gebruik van.

Sinds die mediacursus kan ik niet meer onbevangen naar politieke debatten en gesprekken kijken. Voortdurend ben ik me bewust van de frames waarin boodschappen worden verpakt, van de slimmigheidjes waarmee debatten worden gevoerd en de manier waarop mannetjes (en vrouwtjes) worden gemaakt en gebroken. Het fascineert me hoe Samsom mediagenieker wordt en Roemer mediavermoeider. Het fascineert me, maar het irriteert me ook: wat gebeurt hier, waar gaat dit over? Ik verslind de tv-serie Borgen, maar ben nog steeds verbijsterd over de centrale rol van de spindoctor van de premier in het besluitvormingsproces. En zelfs bij fenomenale toespraak van Michele Obama (zelden zo'n boeiende preek gehoord) zit ik steeds te denken: laat je niet inpakken, het is allemaal retoriek.

Over de rol en macht van de media zijn we nog lang niet uitgedacht. Mij moedigt het allemaal wel aan om op zijn minst te proberen achter het mediagebeuren te kijken. De tijd te nemen om na te gaan waar de partij die ik overweeg te stemmen voor staat met betrekking tot zaken die er vanuit mijn verstaan van het Evangelie werkelijk toe doen. Thema's als rechtvaardigheid, gemeenschap, rentmeesterschap, solidariteit en vrijheid van godsdienst. Stuk voor stuk thema's waar in de krap bemeten mediaformats weinig zinnigs van gezegd kan worden, maar die in het dagelijkse politieke overlegwerk hopelijk wel op tafel komen.


De politieke werkelijkheid speelt zich (gelukkig) grotendeels achter de schermen af. Daar spelen weer andere spelletjes en gelden weer andere regels, die de waarheid ook geweld aan kunnen doen. Maar ik blijf hardnekkig geloven dat inhoud vóór vorm of vent/vrouw gaat. Ook in de politiek gaat het om waarheid en waarachtigheid.

Sabbatical

(Deze column werd geschreven voor Woord & Dienst, september 2103)


Het begon eigenlijk met een geintje. ‘Dit jaar zit ik in mijn 50e levensjaar’, zei ik tegen iemand uit de kerkenraad, ‘en mijn 7e jaar in Amsterdam. Mooi moment voor een sabbats- en jubeljaar.’ Tot mijn verbazing zei dat kerkenraadslid: ‘Dat is een goed idee. Zou ik doen.’
Van het een kwam zo het ander en vlak voor de zomer van 2012 gaf mijn kerkenraad me de ruimte om een jaar lang – van zomer tot zomer- invulling te geven aan een sabbatical. Het idee was dat ik zelf zou nagaan hoeveel ruimte ik nodig zou hebben om er echt een jaar van bezinning en rust van te kunnen maken.

Nu heeft de PKN tot op heden geen sabbatical-regeling. Er een jaar echt helemaal uitgaan, op kosten van de kerk, zat er dus niet in.  Op mijn eigen kosten trouwens ook niet. De eerste uitdaging was dus: hoe schep ik ruimte binnen de beperkingen die er zijn? Om te beginnen zou ik wel blijven voorgaan in de diensten, maar zoveel mogelijk vergaderingen niet bijwonen en geen extra dingen doen.  Dat gaf meteen al veel lucht. Een jaar langen allerlei vergaderingen niet bijwonen gaf toch een gevoel van bevrijding. In de veertigdagentijd ben ik helemaal niet voorgegaan. Een bijzondere ervaring!

Maar de geschapen ruimte moest natuurlijk ook ingevuld worden. Ik besloot allereerst een coach te zoeken. Iemand die me een jaar lang, heel gestructureerd, zou kunnen begeleiden. Ik had de jaren ervoor best veel aan zorg voor mijn eigen ziel gedaan, maar dit bleek toch een openbaring. Ik deed een karaktertypetest, ging aan de slag met de uitkomsten en verwonderde me over alles wat ik rond mijn 50e nog over mezelf  te weten kwam.  Dit coachingstraject was echt een zegen.

Het tweede besluit wat ik nam was om te gaan wandelen. Ik begon aan het Pelgrimspad, van Amsterdam naar Maastricht, elke twee weken een dag. Op de tweede dag voegde mijn beste vriend zich bij me en van etappe tot etappe deelden we ze ongelooflijk veel dingen uit deze fase van ons leven en het proces waarin ik door mijn sabbatical in terecht was gekomen.  Doorlopend gesprek was het. Al gaande de weg stelden we ook nog een uitsmijter top tien samen (de beste aten we in Heusden) maar dit terzijde. Ook dit Pelgrimspad was een zegen.

Inmiddels zit mijn sabbatical er op. Wat begon als een geintje bleek bij nadere invulling steeds serieuzer te worden. De midlife-periode, waar ook ik de nodige grappen over maakte, was reëler dan ik dacht. En een sabbatical op precies dát moment was dan ook vruchtbaarder dan ik had durven hopen.  Ik voel me bevoorrecht, dat mijn kerkenraad er de visie voor had en me stimuleerde de nodige ruimte te scheppen. Ik gun het alle collega’s in deze fase van hun leven. Misschien moet die sabbatical-regeling er in de kerk toch maar komen.


Discipline tegen de overvloed

Jezus Christus volgen in onze tijd van overvloed vraagt dat we ons weer oefenen in de geestelijke disciplines zoals stilte en vasten, is de overtuiging van ds. B. J. van der Graaf. Hij sprak vanmiddag op een studiedag van de Gereformeerde Bond in Doorn over ”Leven met God in een welvaartstijd”. Een samenvatting.

Wij leven in een tijd van overvloed. Ook de economische crisis verandert daar voor velen maar weinig aan. Om te beginnen is er een overvloed aan consumptieartikelen. We verdrinken bijna in alle spullen die we om ons heen verzamelen. Voor de één zijn het kleren, voor de ander auto’s en accessoires. Voor mij zijn het boeken en CD’s die altijd lonken. Ik heb de afgelopen jaren meer boeken gekocht dan ik kon lezen. Ik had er natuurlijk goede redenen voor, maar het is en blijft een feit dat ik ze niet meer uitgelezen krijg. Ik heb geen weerstand heb kunnen bieden aan de overvloed.
In de tweede plaats is er een overvloed aan informatie- en communicatieprikkels. Ik heb een gewone telefoon, een mobiele telefoon mét internet, e-mail, een pagina op LinkedIn, abonnementen op twee kranten, newsfeeds van drie andere kranten, een reeks tijdschriften, beluister radioprogramma’s en kijk sporadisch tv. En dan is er natuurlijk nog de druk die je voelt of je toch niet moet gaan twitteren, msn’en of op Hyves dan wel op Facebook moet gaan. Toen ik dit opschreef, schrok ik: wat een prikkels, wat een infostress.
Wat zijn de gevolgen van deze overvloed voor ons levensritme, voor de wereld, voor ons gezin, voor ons geestelijk leven?
In de eerste plaats lijden we aan overconsumptie. We kopen nogal wat dingen die we strikt genomen niet nodig hebben. En omdat regelmatig kopen een soort levensbehoefte is, let je ook maar niet te veel op of er kinderen aan gewerkt hebben, of het milieu erdoor belast wordt, of er dierenleed achter schuil gaat. Want eerlijke keuzes op dit gebied kosten geld, en dat gaat ten koste van je consumptieruimte. En zo zitten we allemaal, ongewild, in een web van verleiding en begeerte, waardoor het systeem in stand blijft.

Rustgebrek
In de tweede plaats lijden we aan rustgebrek. Al die informatie en communicatie zorgen voor enorm veel onrust in ons levenspatroon, maar ook in ons hart. Ik zie geen jongere meer fietsen zonder mobieltje in de hand. Voor veel mensen is het lezen van hun mail het eerste én het laatste wat ze doen op een dag. Het lukt ze niet meer om eerst stille tijd te houden, omdat ze automatisch hun e-mailprogramma openen.
Is het geloof in Christus tegen deze overvloed opgewassen? Om te beginnen moeten we maar eerlijk erkennen dat ons geloof niet of nauwelijks bestand is tegen deze overvloed. In elk geval is geloof geen natuurlijke dam tegen alles wat op ons afkomt. Daarvoor is voortdurende bewustwording en oefening nodig. Dat vraagt om een vormgeving van het geloofsleven die concreet is toegespitst op dit alles.

Leidraad
Een van de manieren om hiermee bezig te zijn is het gericht zijn op discipelschap in de zin van: leerling zijn van Jezus Christus. Een schrijver die mij daar erg bij geholpen heeft is Dallas Willard, die onder andere een boek over de Bergrede schreef. Hij constateert dat veel Amerikaanse christenen wel heel erg bezig zijn met de vraag hoe ze opnieuw geboren kunnen worden, maar niet met de vraag hoe ze kunnen groeien als discipel van Jezus in hun leven van elke dag. Met als gevolg dat hun karakter niet wordt veranderd naar het beeld van Christus, maar ook dat ze zich ten diepste laten leiden door de wetten van de wereld en niet door de lessen van Jezus.
Om een voorbeeld te noemen: hoeveel christenen proberen echt om Jezus’ opdracht „zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid en al het andere ontvangt u bovendien” in hun dagelijks leven als leidraad te hanteren? En hoevelen die zich dat voornamen zijn na een tijdje niet alsnog moedeloos gestopt? Hoevelen beseffen dat discipelschap een kwestie is van geestelijk oefenen, elke dag opnieuw?
Juist voor dat oefenen vraagt Willard aandacht. Daarin is hij niet de enige: het valt op, dat er de laatste tijd weer veel is geschreven over wat we in de kerk ”geestelijke disciplines” noemen . Het is al een oud thema –iemand als Voetius schreef er al een dik boek over, ”De praktijk van de godzaligheid”– maar het is nodig dat in elke tijd opnieuw te doordenken.

Stilte
De geestelijke disciplines kun je in twee hoofdgroepen verdelen: de disciplines van toewijding en de disciplines van onthouding. Onder de disciplines van toewijding vallen onder andere: Bijbellezen, memoriseren, gebed, dienstbaarheid en viering. Deze oefeningen helpen ons om ons te richten op God en Zíjn overvloed. Onder de disciplines van onthouding vallen onder andere eenzaamheid, stilte, soberheid, vasten, orde en kuisheid. Deze oefeningen zijn vooral gericht op het losraken van ónze overvloed.
Van één ding ben ik inmiddels wel overtuigd: wanneer we in een tijd van overvloed daadwerkelijk en van harte meer en meer discipelen van Jezus Christus willen worden, dan kan dat alleen wanneer we ons weer oefenen in de geestelijke disciplines. Om dat verder uit te werken geef ik een paar voorbeelden van geestelijke oefeningen en hun betekenis met het oog op het omgaan met overvloed.
Om te beginnen één van de geestelijke disciplines van onthouding: de stilte. Het beoefenen daarvan zou wel eens de belangrijkste geestelijke oefening kunnen zijn om los te komen uit het web van informatie- en communicatieovervloed.
Wat ik daarbij van onder anderen Dallas Willard heb geleerd, is dat het belangrijk is om te beginnen bij het proeven van de stilte, zonder direct een ander doel na te streven. Concreet: begin aan het begin van de dag met een paar minuten stilte. Natuurlijk zul je ontdekken dat je gedachten niet stilstaan, dat je steeds wordt afgeleid, dat je neiging hebt om…. Dat maakt niet uit. Proef hoe goed stilte is, wat een geschenk van God.
Als je dat eenmaal geproefd hebt, ga je ermee oefenen gedurende de dag. Laat je autoradio eerst een tijdje uit als je instapt. Check je email niet meteen als je opstaat, maar een uur later. Je voelt je gedrongen ál je kranten te lezen, altijd je telefoon aan te hebben. Doorbreek dat eens, om stil te worden. Je zult zien wat een zegen dat is.

Geven
Maar het gaat ook om beslissingen op de lange termijn. Ooit heb ik besloten geen msn, Hyves of Facebook te gebruiken, omdat ik vreesde gek te worden van al die opfloepende schermpjes. Ik zit wel op LinkedIn – het professionele netwerk– en dat is gelukkig een rustige omgeving. Ik heb besloten niet te gaan Twitteren, hoewel ik soms twijfel. Het kan nuttig zijn, maar weegt niet op tegen de onrust.
Ik noem nóg een discipline van onthouding: vasten. Het beoefenen van vasten zou wel eens de belangrijkste geestelijke oefening kunnen zijn om los te komen van het web van consumptieovervloed.
Ook hier is het belangrijk om te beginnen bij het oefenen in vasten zonder meer. Begin er eens mee om één keer in de week een maaltijd of een onderdeel van een maaltijd achterwege te laten. Gebruik de tijd die je anders nodig hebt om te eten om bijvoorbeeld Bijbel te lezen. Je oefent je dan in het woord van dat Jezus aanhaalt op een moment van verzoeking: De mens zal niet leven bij brood alleen, maar bij ieder woord dat uit de mond van de Heere uitgaat.” Wanneer je dat doet, ontdek je dat er een overvloed is bij God waarvan je kunt leven. Het is ontzettend belangrijk om ruimte te scheppen om van die overvloed te proeven.
Als je dat eenmaal geproefd hebt ga je ermee oefenen in de rest van de week. Weersta de verleiding om een impulsaankoop te doen. Probeer afstand te nemen van de verleidingen van reclame. Maar ook hier gaat het om beslissingen met het oog op de lange termijn. Beslissingen met het oog op consumptie worden heel gemakkelijk consumptiepatronen. Voor je het weet is er eigenlijk geen ruimte meer om te geven.
Dat brengt bij een andere discipline van toewijding: geven. De oefening van het geven is naast vasten misschien wel de belangrijkste oefening die ons helpt om verbonden te raken met de overvloed van God.
Ook als het om geven gaat, is het belangrijk om te beginnen bij geven zonder meer. De afgelopen dankdag hield ik een preek over het geven van de tienden. Wat mij trof, is dat geven in het Oude Testament nooit een sluitpost is, maar de openingshandeling. Of het nu om eerstelingenoffers gaat of om de tienden: het eerste waartoe een Israëliet zich geroepen wist, was het afzonderen van de gaven. De bedoeling daarvan is duidelijk: door prioriteit te geven aan geven worden we er steeds aan herinnerd dat we leven van de geef.
Het is dus een heel vruchtbare geestelijke oefening om in onze financiële planning te beginnen met het vaststellen van onze giften en pas daarna te kijken naar onze vaste lasten en ruimte voor vrije besteding. Op die manier oefenen we ons erin om los te raken van onze eigen overvloed en dat schept weer ruimte om anders om te gaan met ons koopgedrag.

Geen wetticisme

Ten slotte, het is belangrijk om te beseffen dat discipelschap geen kwestie is van moralisme en wetticisme. Het gaat bij discipelschap onder andere om het aanleren van nieuwe gewoontes en levenspatronen, om het beoefenen van christelijke deugden, zoals matigheid, nederigheid enzovoort. Dit alles gaat dus vooraf aan concrete vragen als: „Wat koop ik wel en wat niet?” en: „Hoe moet ik omgaan met al die informatiestromen?” In discipelschap gaat het ten diepste om karaktervorming naar het beeld van Christus en het leven uit de overvloed van zijn leven.

(Eerder verschenen in het Reformatorisch Dagblad)