maandag 21 oktober 2013

Voorwoord bij Dallas Willard - Gods geheime plan

(Dit voorwoord schreef ik voor de Nederlandse vertaling van het boek The Divine Conspiracy van Dallas Willard. Het is te vinden in Gods geheime plan.


Het gebeurt niet zo vaak dat mensen zeggen: ‘Dat boek heeft mijn leven veranderd’ (afgezien van de Bijbel dan natuurlijk).  Van het boek dat nu voor u ligt zeiden verschillende mensen dat wel en dat raakte me. Het waren trouwens allemaal schrijvers van boeken over missionair kerkzijn die deze ontboezeming deden op het moment dat ze over The Divine Conspiracy van Dallas Willard schreven. Schrijvers als Dan Kimball, in zijn boek The Emerging Church bijvoorbeeld. En omdat ik als missionair gemeentepredikant in Amsterdam West vanaf mijn bevestiging in 2006 intensief op zoek was naar inspirerende ideeën over christen- en missionair kerk zijn vandaag wilde ik daar meer over weten. Nu ben ik altijd een beetje voorzichtig met uitspraken over ‘levensveranderende ervaringen’ (wanneer weet je immers zeker of die ervaring ook duurzaam is?), toch durf ik wel te zeggen dat de boeken van Willard en dan vooral The Divine Conspiracy ook mijn leven hebben veranderd. Ik ben dan ook heel blij, dat dit boek nu in het Nederlands verkrijgbaar is, zodat het voor veel meer mensen in ons land toegankelijk is geworden.

Wat is het geheim van dit boek? In het korte bestek van deze inleiding stip ik twee dingen aan. Het eerste geheim is, dat Willard misschien wel de eerste  in mijn leven is, die alles wat Jezus ons heeft geleerd zó weet te verwoorden dat het te doen is.  Eerlijk gezegd is mijn grootste worsteling met het onderwijs van Jezus (en misschien vooral met de Bergrede, de magna charta van het Koninkrijk Gods) lange tijd geweest, dat  het me zo verlamde.  Hoe waar en inspirerend ook, het effect van Jezus’ radicale woorden was eigenlijk vooral frustratie, omdat ik het met niet lukte ze te doen.  En met alle respect voor Dietrich Bonhoeffer: zijn klassieker Navolging hielp mij nooit over die verlamming heen, maar versterkte haar juist (een ervaring, die, zo leerde ik uit gesprekken, velen met mij deelden).  Dallas Willard heeft mij over die hobbel heen getild. Hoe hij dat precies doet moet u zelf maar ontdekken, ik hoop dat u dezelfde ervaring hebt.

Een tweede geheim van dit boek is, dat het echt helpt om met in gesprek te komen met niet-christenen.  Willard wijst ons de weg om echt leerling van Jezus te worden en dus diep vertrouwd te raken met de diepe wijsheid die in zijn woorden verborgen ligt.  Misschien ligt het aan mij, maar al studerend in de boeken van Willard ontdekte ik, dat ik Jezus eigenlijk nooit echt als mijn leraar heb gezien. Opgegroeid in een traditie waar het geloof vooral in de termen van Paulus werd verwoord, had ik Jezus als redder leren kennen en omarmd.  Wanneer je echter aan een niet-christen probeert uit te leggen, wat dat redder-zijn van Jezus betekent, moet je eerst een heleboel vooronderstellingen uitleggen.  Wanneer je echter in gesprek raakt  over de woorden van Jezus zelf blijken de lijnen naar de gedachtenwereld van mensen van vandaag veel korter te zijn. Jezus blijkt in zijn onderwijs namelijk allemaal universele thema’s aan te snijden, waar je meteen over in gesprek kunt raken. Uiteraard betekent dit niet, dat het redder-zijn van Jezus er niet (meer) toe doet, maar het gaat over de vraag van het beginpunt van het getuigende gesprek.


Dallas Willard is een toegewijde leerling van Jezus, die niets liever wil dan ook anderen tot leerling maken. Dat is de geheime kracht van dit boek.

zaterdag 19 oktober 2013

Wat heeft de kerk te zoeken in de kunst?

De Jeruzalemkerk heeft zich de afgelopen paar jaar in allerlei opzichten gericht op de kunst. We hebben een podium geboden aan musici en beeldende kunstenaars uit de buurt, we hebben samen met kunstenaars kunstprojecten gedaan, we hebben gesprekken gevoerd met creatieve geesten in De Baarsjes, kortom: we hebben geprobeerd om van de Jeruzalemkerk op allerlei momenten een kruispunt van geloof, kunst en cultuur te maken. Dat leverde veel mooie, interessante, spannende en soms ook ontroerende momenten op. Het was een boeiend en dynamisch gebeuren.

Toch kun je je afvragen: Heeft de kerk geen belangrijker dingen te doen en leidt al die aandacht voor kunst en cultuur niet veel te veel af van de kern van onze missie, namelijk de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane?

Die vraag wordt nog toegespitst als we beseffen in welke traditie we als Jeruzalemkerk staan. We staan in de calvinistisch-gereformeerde traditie en we weten allemaal dat juist die traditie de vanouds op zijn minst nogal kritisch stond ten opzichte van kunst en cultuur. En dus is de vraag: als onze voorouders zo terughoudend waren als het om kunst en cultuur ging, kunnen wij er dan wel open voor staan? Verliezen we zo niet ongemerkt een paar essentiële elementen van een op de Bijbel gebaseerde traditie?

Bij nader inzien blijken er juist in onze gereformeerde traditie verschillende redenen te vinden die de aandacht voor kunst en cultuur vanuit de kerk rechtvaardigen.

*Ik begin met een paar gedachten van Johannes Calvijn zelf. Die gedachten put ik uit een lezing die Abraham Kuyper in 1898 hield op de universiteit van Princeton, de 5e van zes zogenaamde Stone Lezingen. Die lezing heet: Het Calvinisme en de kunst. In die lezing stelt hij zich de vraag of het calvinisme inderdaad – zoals vaak gedacht wordt -in de wortel kunstvijandig is. En Kuyper toont dan, met woorden van Calvijn zelf aan, dat deze wel streed tegen misbruik maar in principe een pleitbezorger was van de kunst.

Zo merkt Calvijn bijvoorbeeld in zijn commentaar op Genesis 4:21 (waar over Jubal wordt gezegd dat hij ‘vader is geworden van allen die citer en fluit bespelen’)op, dat het hier gaat om voortreffelijke gaven van de Heilige Geest. God heeft, zo stelt hij, het geslacht van Jubal ‘verrijkt met uitnemende talenten’ en trekt vervolgens de conclusie dat deze kunstvindingen schitterende blijken waren van Gods goedgunstigheid.’

Ik geef nu even een lang citaat van Kuyper, dat helemaal voor zichzelf spreekt. Hij schrijft, opnieuw over Calvijns uitleg van bepaalde Bijbelgedeelten: ‘Sterker nog verklaart hij in zijn commentaar op Exodus, dat ‘alle kunsten uit God vloeien en te eren zijn als goddelijke uitvindingen.’ ‘In alle artes liberales moet, zowel in de gewichtige als de minder gewichtige, Gods lof en glorie worden verheerlijkt. Meer nog, de kunsten zijn ons als troost bij deze lage stand van ons leven geschonken. Ze reageren tegen het ingezonken leven van de natuur.’ Toen zijn collega Cop in Genève tegen de kunst als zodanig ging woeden, nam Calvijn zelfs opzettelijk zijn maatregelen om, zoals hij zelf schrijft, ‘deze onzinnige mens tot gezonder zin en rede terug te brengen.’ Het domme vooroordeel, alsof het gebod tegen de beeldendienst de beeldhouwkunst verbood, noemt Calvijn de moeite der weerlegging niet eens waard. Van de muziek roemt hij, dat ze een wondere, ongelooflijke kracht bezit, om de harten te roeren en neigingen en de zeden te buigen en te verzachten. Onder de schatten des levens, die God ons schonk, om ons te ontspannen en te doen genieten, staat ze zijns inziens bovenaan. En zelfs waar de kunst lager afdaalt en enkel bedoelt de grote hoop te vermaken, snijdt hij ze zo weinig af, dat hij verklaart, hoe men dit soort zinvermaak niet aan het volk moest onthouden. Dit samenvattende mag men dus zeggen, dat Calvijn de kunst in al haar vertakkingen eerde als een gave Gods, nader als een gave van de Heilige Geest; dat hij de machtige uitwerking der kunst op het gemoedsleven ten volle begreep; dat hij haar bestemming zag in het verheerlijken van God die ze ons schonk, in de veredeling van het leven, in het ons schenken van hoger genot, en zelfs van gewoon vermaak; en dat hij, wel verre van in haar slechts een nabootsing der natuur te zien, haar de roeping toeschreef, om ons een hogere werkelijkheid te ontsluiten dan deze zondige en ingezonken wereld ons bood.’

Tot zover Kuyper over Calvijn. Op allerlei punten sluit deze gedachten aan bij de redenen die wij de afgelopen jaren vonden om ons met ik kunst bezig te houden. Ik noem er nu vijf.

*Waarom zouden we ons als kerk met kunst bezig houden? Mijn eerste antwoord zou zijn: Kunst is een gave van God de Schepper. Met de woorden van Calvijn: ‘Alle kunsten vloeien uit God en zijn te eren als goddelijke uitvindingen.’

De eerste reden om met kunst bezig te zijn ligt dus in de scheppingsleer. Godzelf is de Schepper van hemel en aarde en Hij zelf heeft de mogelijkheid om kunst te maken in zijn schepping gelegd. Dat mensen in staat zijn tot het scheppen van schoonheid is een geschenk dat God in zijn schepping heeft gelegd. En hoe kunnen we onze Schepper beter eren dan door de gaven die Hij in de schepping heeft gelegd te ontdekken en te ontwikkelen?

Schoonheid is volgens Kuyper een weerspiegeling van Gods heerlijkheid. Toen God hemel en aarde schiep, van dag tot dag, trok Hij zelf steeds de conclusie dat het goed was. God zelf genoot dus van zijn kunstwerk en dat mogen wij ook doen. Maar het gaat nog verder, want wij mensen zijn naar het beeld van God geschapen. Dat betekent dus, dat wij op allerlei mogelijke manieren het wezen van God mogen weerspiegelen, ook als het gaat om het creatieve. Als mensen die geschapen zijn naar Gods beeld mogen wij zelf ook scheppend bezig zijn met de mogelijkheden die in de schepping zijn gelegd.

Kunst is dus een gave van God de Schepper en maakt dus wezenlijk deel uit van het leven zoals God het bedoeld heeft. In de schone kunsten mag de mens, als zijn beelddrager, schepper naast God zijn. Dat is het eerste. Een geweldig mooi geschenk!

*Het tweede antwoord dat Calvijn ons aanreikt is: Omdat we geloven dat creativiteit een gave van de Heilige Geest is.

Dit antwoord ligt dicht in de buurt van het eerste, maar legt toch een belangrijk ander accent. Als we namelijk over kunst spreken als een scheppingsgave hebben we het over wat God vanaf de oorsprong in zijn wereld heeft gelegd. Maar als we over creativiteit als gave van de Heilige Geest spreken hebben we het vooral over wat God geeft met het oog op de eindbestemming van de wereld. Wat bedoel ik daarmee?

Calvijn was een theoloog die er een diep besef van had dat de schepping zoals hij nu is is aangetast door het kwaad en dus een gebroken schepping is. De mens is nog steeds beelddrager van God, maar dat beeld vertoont wel een diepe barst, veroorzaakt door onze menselijke schuld. En als God de wereld op zijn beloop zou laten zou dat kwaad meer en meer de overhand krijgen. Maar de boodschap van het Evangelie is, dat God zich juist niet bij die gevallen staat van de schepping neerlegt. In tegendeel, Hij heeft het plan opgevat om deze wereld te herscheppen en nieuw te maken. Om dat doel te bereiken werkt God met zijn Geest in deze wereld. Die Geest werkt vernieuwend in de wereld, als voorschot op de grote herschepping die gaat komen.

En als Calvijn dus spreekt over creativiteit als gave van de Geest, dan moeten we dat verstaan tegen die achtergrond. Als voorbeeld noemt hij de kunstenaars in Israël, die door God werden toegerust met de gave van de Geest om het heiligdom tot een gebouw van schoonheid te maken. Juist dat heiligdom, van waaruit de herschepping van het leven en de wereld als het ware gestalte kreeg, vroeg om de beste kunstenaars. In die zin vind ik het in toenemende mate bijzonder dat onze Jeruzalemkerk is geïnspireerd door te tempel in Jeruzalem en geldt als één van de mooiste kerken van de Amsterdamse school. De schoonheid van deze kerk is meer dan een beetje versiering, zij staat in dienst van het goede nieuws dat God de Schepper zijn gevallen schepping niet loslaat, maar op weg is naar het nieuwe Jeruzalem. Creativiteit in dienst van het Evangelie dus. In die zin inspireert het gebouw ons steeds opnieuw tot bezinning op geloof en kunst.

*Het derde antwoord dat we bij Calvijn kunnen vinden is: Kunst is een bron van troost in een wereld vol moeite en zorg. Eerlijk gezegd werd ik heel erg geraakt door deze gedachte van Calvijn. Kunst als bron van troost. Dat is toch prachtig?

Opvallend is, dat Calvijn de muziek het hoogst inschat als het gaat om vertroosting en ontroering. Muziek bezit een ‘wondere, ongelooflijke kracht om harten te roeren’. Het is dan ook niet voor niets dat juist Calvijn zich enorm heeft ingespannen voor de ontwikkeling van kerkmuziek – hij gaf de opdracht om alle Psalmen te berijmen en op muziek te zetten – en dat hij daarvoor de beste dichters en musici van zijn tijd uitkoos.

Muziek troost en roert het hart. Vandaar dat wij van harte ruimte geven aan musici om in ons kerkgebouw muziek te maken. Het is wonderlijk om te merken dat dezelfde muziek in ons kerkgebouw vaak anders werkt dan in het concertgebouw. Ook muziek waar geen woord aan te pas komt kan juist in dit gebouw een boodschap van troost en vreugde zijn.
Het is duidelijk dat muziek een andere laag van ons bestaan raakt. Waar woorden tekort schieten kan muziek een eigen taal spreken.

Kunst kan dus troosten en ontroeren. Die troost zit naar onze overtuiging vooral in de boodschap van het Evangelie, die zondag aan zondag verkondigd wordt. Maar er is ook de troost van de kunst, die des te dieper wordt als zij met het Evangelie gaat samenstemmen. Daar hopen we op.

*Het vierde antwoord dat ik bij Calvijn vind is ook wel heel sprekend: Kunst heeft het vermogen een hogere werkelijkheid te ontsluiten. Ik weet niet helemaal zeker of deze gedachte letterlijk bij Calvijn vandaan komt of dat Abraham Kuyper hem heeft geformuleerd, want het lijkt me voor een Calvijn wel een heel moderne gedachte. Hoe dan ook: het is wel een gedachte die aansluit bij wat we telkens ervaren als we ons met kunst bezig houden.

Kunst heeft het vermogen een hogere werkelijkheid te ontsluiten. Ik geef een voorbeeld van een kunstproject waarin dat gebeurde. Vorig jaar hebben we samen met een kunstenaarscollectief een project gedaan rondom het onkruid in de kerktuin. Ja, u hoort het goed: het onkruid in de kerktuin. Dit was het idee: de kunstenaars hebben nauwgezet onderzocht welke plantjes er in de tuin groeiden. Zij vonden maar liefst 18 soorten wilde planten en onkruid. Wat zij vervolgens deden was dit: ze schreven een libretto, waarin elk plantje afzonderlijk werd bezongen in zijn kenmerkende eigenschappen. En heel vroeg in de morgen, bij zonsopgang, is dit plantenlied gezongen in een soort schemerdienst. Van te voren hebben we diepgaand met elkaar gesproken wat nu eigenlijk de bedoeling was. Wilden de kunstenaars de natuur aanbidden? Zo ja, dan werd voor ons een grens overschreden. Maar natuuraanbidding was niet de bedoeling. Wat ze eenvoudig wilden was: zo aandachtig mogelijk kijken naar deze vaak geminachte plantjes en al zingend ontdekken dat ze veel bijzonderder zijn dan we denken. En toen ik daar een meditatie bij mocht maken ontdekte ik dat nu precies is wat genade is: wat door mensen wordt geminacht wordt door God gezien en aanvaard. Zo ontsloot dit kunstproject een hogere werkelijkheid, die ik nooit meer vergeten zou. Onkruid dat de kerk werd binnengezongen bleek, juist in die ruimte, kruid te zijn. Dat is wat kunst kan doen en op zulke momenten van onthulling hopen we als we als kerk meedoen met de kunst.

*Mijn vijfde antwoord komt niet van Calvijn of Kuyper, maar uit de ervaring van de afgelopen tijd. Het luidt: Kunst draagt bij aan de ontmoeting tussen mensen en de vrede voor de stad. Anders gezegd: kunst dienst ook een missionair doel.

Als Jeruzalemkerk willen we graag een bijdrage leveren aan de vrede in de stad. Dat doen we op allerlei manieren, maar ook via de kunst. Daarbij worden we ook geïnspireerd door de buurt waarin onze kerk staat. De huizen in De Baarsjes zijn grotendeels ontworpen in de stijl van de Amsterdamse School, een stijl die na 80 jaar nog niets aan kracht heeft ingeboet. Het bijzondere is, dat deze stijl werd ingezet voor het socialistische ideaal om voor de gewone man huizen te bouwen die functioneel én mooi waren. Want de overtuiging was: schoonheid draagt bij aan het goede leven. Een bijna profetisch inzicht dus, dat tot op de dag van vandaag nog voelbaar is in de buurt. En bij dat inzicht sluiten wij ons in onze kerkelijke presentie in de buurt graag aan.

Maar de vrede in de buurt wordt ook bevorderd door ontmoetingen tussen mensen. Die ontmoetingen vinden plaats in de diensten op zondag, maar ook, en weer anders, als de kerk open is voor bijvoorbeeld een concert. Dan wordt de kerk weer op een andere manier een huis van de buurt en zo was onze kerk ook bedoeld: gebouwd aan en zelfs ín een huizenblok; dicht bij God en dicht bij de mensen. Zo hebben we al aardig wat mooie ontmoetingen gehad en van het een komt soms het ander en dat laten we maar gewoon gebeuren.


*Waarom zouden we ons als kerk met kunst en cultuur bezig houden? Het antwoord is: omdat kunst bedacht is door de schepper, wordt geïnspireerd door de Geest, troost brengt, openingen maakt naar boven en de vrede in de stad dient. Er zijn nog veel meer redenen, maar hier kunnen we het voorlopig mee doen.

donderdag 17 oktober 2013

Stanley Hauerwas - Een robuuste kerk

(Leesimpressie bij het boek Een robuuste kerk van Stanley Hauerwas)



In de Jeruzalemkerk zijn we de afgelopen jaren volop bezig geweest met de vragen rondom missionair kerk-zijn in stad. We hadden het gevoel dat heel veel kernthema’s opnieuw doordacht en verwoord moesten worden en dus was ik volop op zoek naar inspirerende denkers en voorbeelden. Opvallend genoeg vond ik die toch vooral in het Engelse taalgebied. Tim Keller en het Redeemer-netwerk gaven veel te denken over kerk zijn in de stad, Dallas Willard opende mijn ogen voor discipelschap en karaktervorming,  Richard Foster en Robert Webber wezen de weg naar vroegkerkelijke bronnen van spiritualiteit en geestelijke vorming en Walter Brueggemann en Tom Wright reikten inspirerende bijbels-theologische kaders aan. Ik heb Hauerwas dus gelezen in bovenstaand rijtje en constateer allereerst dat er veel gemeenschappelijk thema’s zijn. Hoe eigenzinnig ook: Hauerwas maakt deel uit van een beweging van theologen die vanuit een scherp besef van de realiteit van de secularisatie en marginalisering van de kerk op zoek zijn naar de essentie van geloven en kerk zijn vandaag. Veel van wat hij schrijft over discipelschap, deugdethiek en karaktervorming en de betekenis van de gemeenschap was voor mij een bevestiging van wat ik bij anderen las en wat we inmiddels zelf in onze gemeente aan het beproeven zijn. Ik heb hem van harte toegevoegd aan de galerij van inspirerende denkers vandaag. In deze bijdrage noem ik twee punten waarin Hauerwas zich wat mij betreft onderscheidt.

De doorslaggevende betekenis van de gemeenschap
Eén van de eerste dingen die me opvielen was de enorme betekenis die Hauerwas toekent aan de gemeenschap van de gemeente. Van individualisme – ook van de gelovig piëtistische variant- moet hij niets hebben en die overtuiging doorgloeit werkelijk alles wat hij schrijft. Of het nu om discipelschap gaat, om geestelijke oefeningen en karaktervorming, om preken of om Bijbellezen: steeds is de gemeenschap van de gemeente noodzakelijk kader. Uit alles blijkt dat Hauerwas gelooft in de Bijbelse betekenis van de gemeenschap, maar altijd blijft dit geloof geworteld in de realiteit van het leven. Steeds klinkt het besef door dat ook de beste christelijke gemeenschap uit mensen bestaat en dat dit betekent dat er conflicten zullen zijn. Maar juist daarom is de gemeente de beste plek om deugden te oefenen en te groeien in een karakter naar het beeld van Christus. Het zijn precies deze noties waar ik de afgelopen paar jaar in de gemeenschap van onze stadsgemeente veel meer oog voor heb gekregen. In een stad waarin veel bewoners losgeslagen individuen zijn geworden is de christelijke gemeenschap een unieke oefenplek voor het leven.

Eigenzinniger en dwarser dan me lief is

Wat me echter vooral bijblijft bij Hauerwas is zijn pleidooi voor een kerk die zich vooral richt op de essentie van het Evangelie. Hauerwas is uiterst kritisch over pogingen om aansluiting te vinden bij universele en dus gedeelde waarden in de samenleving. Zijn niet te missen pleidooi aan het adres van de kerk is: houd je bij het grote verhaal van het Evangelie van Jezus Christus, leef daar naar, van harte en radicaal en laat dat de bijdrage zijn aan de maatschappij en de cultuur. Om eerlijk te zijn voelde ik me vooral op dat punt betrapt, want ik realiseerde me dat veel van onze missionaire initiatieven bewust of onbewust juist naar die aansluiting  zoeken. Hauerwas is dus veel dwarser en eigenzinniger dan me lief is en hij heeft daar goede Bijbelse papieren voor. Hij is ook in Nederland niet de eerste die dat roept –Van de Beek, Kennedy-  maar na het lezen van Hauerwas zou ons missionaire werk wel eens een accentsverschuiving kunnen meemaken. We gaan het zien.

(Eerder gepubliceerd in Kontekstueel, Tijdschrift voor gereformeerd belijden nu)

zondag 29 september 2013

Van gewoon tot missionair predikantschap

(Deze inleiding hield ik op februari 2010 voor studenten theologie, in hun laatste cursus op het theologisch seminarium Hydepark in Doorn)


Hoe het gegaan is
Ik heb als predikant altijd wel een missionair hart gehad, maar pas in de loop van de tijd kreeg het missionaire aspect van mijn predikantschap vorm. In mijn eerste gemeente (Hulshorst) moest ik het vak leren, daar had ik mijn handen aan vol, maar ik was altijd wel erg geïnteresseerd in de mensen van de rand.
In Gouda begon ik als gewoon gemeentepredikant, een taak die in Gouda de prediking centraal heeft staan. De komst en het succes van de Alpha Cursus stelde ons als gemeente echter voor indringende vragen over drempels voor zoekers. Er werd een missionair team gevormd, waarin deze vragen grondig werden bestudeerd. Ik werd lid van dat team en ging meer en meer de zich ontwikkelende visie op missionair gemeentezijn belichamen. Dat was nodig en belangrijk, want alleen zo kon het missionaire denken werkelijk deel worden van het hart van het gemeentezijn. Ik heb deze ontwikkeling als een tweede roeping ervaren, bovenop de eerste waarmee ik naar Gouda werd geroepen.
In 2006 werd ik in Amsterdam beroepen. In de profielschets waren door de gemeente duidelijke keuzes gemaakt: de nieuwe predikant moest  missionair-gemeentepredikant worden.  Een predikant, kortom, die een deel van het klassieke predikantswerk doet, maar een deel van zijn tijd heel nadrukkelijk met missionair werk in de weer is. Op dat beroep heb ik met hart en ziel ja gezegd.

Belangrijke en noodzakelijke voorwaarden om missionair (gemeentepredikant) te kunnen zijn
Onderweg heb ik het één en ander ontdekt over belangrijke en noodzakelijke voorwaarden voor een missionair predikantschap. Ik som puntsgewijs wat van die ontdekkingen op.

-Missionair predikantschap is geen manier van doen maar een manier van zijn
Al gaande de weg ontdekte ik, dat een missionaire houding voor mij meer en meer een deel van mij zelf werd. In die houding kwamen karaktereigenschappen, gevoel voor cultuur en de nood van de tijd en theologische voeding samen.  Meer en meer werd het voor mij vanzelfsprekend om werkelijk alles in de kerk en mijn werk óók met missionaire ogen te bekijken.  Toen ik  me dat eenmaal bewust was, was er geen houden meer aan. Ook praktische belemmeringen (mijn takenpakket, de andere plichten, etc) konden niet verhinderen dat ik van binnenuit steeds meer missionair predikant werd.

-Zonder een overtuigde keuze van kerkenraad en gemeente gaat het eigenlijk niet
In Gouda liep ik er tegenaan, dat ik er wel een tweede roeping bij kreeg, maar dat dit in de praktijk niet voldoende werd verdisconteerd in mijn takenpakket. Voor alle duidelijkheid: dit is geen verwijt, maar een constatering. Dat het zo liep lag vooral aan de traagheid waarmee een gemeente kan  veranderen in de visie op het predikantschap. Die traagheid zat trouwens ook in mij zelf, want onbewust vond ik het ook moeilijk om een aantal klassieke predikantstaken los te laten ten bate van het  missionaire. Het gevolg was wel, dat ik een aantal jaar voor twee heb gewerkt. In die zin was de overgang naar Amsterdam  een verademing.

-Een aantal klassieke predikantstaken doe ik niet meer
Ik doe op dit moment geen ouderenpastoraat, ook geen intensief pastoraat in crisissituaties. Ook doe ik geen gewone catechese (wel belijdeniscatechese). Stuk voor stuk waren dit gevoelsmatig geen gemakkelijke keuzes, voor mij zelf en voor (sommige) gemeenteleden. Maar de keuze kon gemaakt worden, omdat er vervangers konden worden aangesteld. Mijn voorganger, ds. Chris van Andel, doet nu het ouderen- en een deel van het crisispastoraat, de jongerencatechese is ondergebracht bij de Noorderkerk. Ik voel me daar zeer door gedragen.

-Een aantal nieuwe taken doe ik nu wel
Wat ik veel doe is netwerken. Ik probeer me zoveel mogelijk buiten de muren van de gemeente te bewegen in allerlei mogelijke kringen. Dat kost veel tijd, maar die tijd is ook vrijgemaakt. Ik trek veel tijd uit voor studie, want er is voortdurend veel te doordenken. Ik draai mee in  cursussen voor zoekers en toetreders, voer gesprekken met de deelnemers en doordenk wat ik leer. Ik schrijf een weblog, waarin reflecteer over dingen die ik meemaak in mijn werk. En vooral: ik probeer voorganger te zijn in het missionair gemeente-zijn en dit te belichamen in alles wat ik doe.

-Ik ervaar het missionaire accent als kloppend met het Nieuwe Testament

De ontwikkeling van mijn predikantschap heeft me geleerd met nieuwe ogen naar het Nieuwe Testament te kijken. Meer en meer ben ik gaan ontdekken dat het hele Nieuwe Testament door en door missionair gekleurd is. Een missionaire houding klopt dan ook wonderwel met de geest van het Nieuwe Testament, zelfs ook met geschriften die in onze traditie toch vooral binnenkerkelijk centraal kwamen te staan (denk aan de Romeinenbrief).  Ik ervaar dit als een geweldige bevestiging van de weg die ik gegaan ben. Als missionair-gemeentepredikant ben ik thuisgekomen!

vrijdag 8 juni 2012

Bijbellezen met politiemensen

(Deze blog schreef ik voor de website van de Jeruzalemkerk)

Op de Zuid-As weten ze het al langer, maar ik heb het nu toch echt ook zelf ervaren: de relevantie van bijbelverhalen voor mensen die in een organisatie of een bedrijf werken. Ik was uitgenodigd door de School voor Politie Leiderschap om met een groep het begrip vertrouwen te verkennen. Aanleiding was de bezinning binnen de politieorganisatie om meer te gaan sturen op vertrouwen dan op controle, een ontwikkeling die veel breder speelt in onze samenleving, bijvoorbeeld bij de belastingdienst.

Ik had besloten die avond gewoon maar iets te vertellen over hoe vertrouwen werkt in de Bijbel en in de christelijke traditie. In het eerste deel van mijn verhaal verkende ik het begrip vertrouwen op woordniveau en in de verbanden waarin het begrip voorkomt in het Oude en het Nieuwe Testament. In het tweede deel lazen we het verhaal uit het Evangelie wat op indrukwekkende wijze beschrijft hoe geschonden vertrouwen wordt hersteld: het herstel van Petrus na zijn verloochening van Jezus (Johannes 21). Kern van dit verhaal is, dat Jezus tot drie maal toe aan Petrus vraagt of hij hem liefheeft. Ik heb die vraag vertaald als de vraag naar Petrus' loyaliteit aan Jezus en de gemeenschap die hij had verzameld. Een vraag, die bij iedere organisatie niet minder dan de vertrouwensbasis is.

Na deze inleiding ontstond een naar mijn smaak fascinerend gesprek, waarin al snel duidelijk werd dat met name dat verhaal uit Johannes 21 op heel veel punten raakt aan de dagelijkse praktijk in een organisatie als de politie. Het bijbelverhaal vormde op zijn minst een spiegel voor de huidige praktijk, maar werkte ook zeer verhelderend in het opsporen van allerlei patronen en knelpunten in menselijk samenwerken en samenleven. Het werd al met al een enerverende avond, waar ik nog steeds niet helemaal van bekomen ben.

Eén van mooiste reacties uit de groep vond ik deze: wat fijn dat we vanavond nu eens gewoon het verhaal van onze eigen christelijke cultuur en traditie op tafel hebben en niet een of andere exotisch oosterse visie of managementtheorie. Dat was precies wat ik ook constateerde: de waarden die in het Evangelieverhaal zo dynamisch aanwezig zijn liggen ook nog volop onder de oppervlakte van onze westerse cultuur. En de werking van zo'n bijbelverhaal is, dat wat vaak impliciet aanwezig is opeens in alle helderheid aan de oppervlakte komt. Het blijkt te raken wat mensen diep van binnen - ook als ze helemaal niet kerkelijk zijn - kennen en geloven.

De vraag die na deze avond voortdurend bij me is luidt: hoe kunnen we mogelijkheden creëren om met mensen vandaag weer een eenvoudigweg bijbelverhalen te lezen? Ook als mensen er niet gelovig van worden kan het ze wel enorm inspireren en helpen om in leven en werk tot verdieping te komen.


Op de Zuid-As hadden ze dat als gezegd al begrepen. Daar gebeurt in verschillende Bijbelklassen niet anders. Hier ligt blijkbaar een wezenlijke roeping voor de kerk vandaag.

vrijdag 30 september 2011


Werken aan een goede, gemengde school
In de afgelopen week heb ik kennis gemaakt met Dick Haanraadts, directeur van de Joop Westerweelschool. Aanleiding was een ontmoeting van een paar maanden geleden met Degi ter Haar, één van de initiatiefnemers van het ouderinitiatief om van de Joop Westerweel weer een gemengde school te maken. Juist in De Baarsjes hebben dit soort initiatieven op andere scholen hun vruchten afgeworpen en nu komt het dus ook op deze school op gang.
Lopend over het schoolplein en door de gangen kon ik inderdaad maar één conclusie trekken: dit is geen witte en ook geen gemengde school. Dat het zover gekomen is heeft te maken met allerlei factoren, maar feit is dat de samenstelling van de wijk inmiddels al weer zo aan het veranderen is dat een gemengde school een veel betere afspiegeling van de Baarsjes-bevolking zou zijn.
Maar hoe bewerkstellig je dat? Uit het verhaal van Dick Haanraadts werd me wel duidelijk dat dit een zaak van lange adem is. Er is al heel veel geprobeerd, maar uiteindelijk hangt het gewoon toch van de beslissing van ouders af. En juist daarom is zo’n ouderinitiatief zo belangrijk, want in zo’n groep komen krachten vrij die van bovenaf niet zijn in te brengen. Dick is er dan ook maar wat blij mee.
Het was voor mij een leerzame ochtend, die me op allerlei manieren meer in het hart van onze wijk bracht. Ik ben onder de indruk van de goede moed waarmee mensen op en rond de school het beste voor hun kinderen zoeken. Wat zij daarin doen raakt naar mijn gevoel op heel veel punten aan het thema ‘Ruim baan voor gerechtigheid’ waar we ons dit jaar in de Jeruzalemkerk mee bezig houden. Gerechtigheid gaat in de Bijbel allereerst om ‘rechtzetten’ van alles wat scheefzit, ook in verhoudingen tussen mensen. Het gaat er om, dat mensen (kinderen) tot hun recht kunnen komen. Dat dingen in onze buurt zijn scheefgegroeid mag duidelijk zijn, maar dat hier iets aan te doen valt ook. Veel van wat ik hoorde duidde ik als ‘gerechtigheid in actie’.
Uiteraard hebben Dick en ik ook nog gesproken over de vraag wat we als kerk en school voor elkaar kunnen betekenen. Afgeronde conclusies leverde dat niet op, maar alleen al het feit dat we elkaar nu kennen is een mooie stap vooruit. Wie weet wat er nog uit voortkomt.

dinsdag 27 september 2011

Francis of Assisi - Michael Curtiz (1961)

Ik had de dvd al een tijdje zien staan bij Fame (de winkel waar je voor je er binnen gaat eigenlijk moet bidden 'Leidt ons niet in verzoeking'; misschien -in het licht van deze film-  maar beter dat hij sluit), maar echt zin had ik er niet niet. Uiteindelijk heb ik hem meegenomen en vandaag, op de dag dat 11 vastgoedfraudeurs zware straffen tegen zich hoorden eisen heb ik hem gekeken. Het kostte even om er in te komen, want de film is vrij traag en de Technicolor kleuren geven de film een op het eerste gezicht een hoog 'Robin Hood met Errol Flynn'- gehalte. Regisseur Michael Curtiz (hij maakte ook het veel bekroonde Casablanca) maakte ook van deze film echter een overtuigend verhaal.
Het is het verhaal van een jonge zoon van een Italiaanse stoffenhandelaar in de 13e eeuw, die zou uitgroeien tot een van meest geliefde heiligen van de wereldgeschiedenis. Tijdens een veldtocht hoort hij een stem uit de hemel die hem roept tot een leven in gehoorzaamheid aan God. Franciscus moet wachten op God, tot deze zal zeggen wat hij doen moet. Al gaande de weg wordt zijn roeping duidelijk: hij moet Jezus volgen, samen met anderen, in een leven van nederigheid en armoede. De nieuwe orde die hij sticht krijgt een uiterst eenvoudige regel, bestaande uit drie woorden van Jezus waarin hij roept tot navolging en het verkopen van alle bezittingen om het te geven aan de armen. In eenvoudige gehoorzaamheid maakt Franciscus deze woorden tot leidraad van zijn leven.
Het valt niet mee om de kerkelijke autoriteiten te overtuigen van deze nieuwe regel (de paus is bang voor extremisme) en als de orde eenmaal gesticht is valt het niet mee de broeders bij het oorspronkelijke ideaal te houden (bij zijn afwezigheid geven ze het armoede-ideaal op en herschrijven ze de regel). Franciscus sterft te midden van een kleine groep getrouwen, nadat hij eerst de stigmata (de wonden van Christus) heeft ontvangen aan zijn handen en voeten.
Ik laat nu maar even in het midden of de film recht doet aan de historische feiten (ik denk in hoofdlijn wel), maar beperk me tot de vraag wat het verhaal van Franciscus voor vandaag betekent. Zoals ik al zei zag ik deze film op de dag dat een groep vastgoedfraudeurs veroordeeld werd tot flinke gevangenisstraffen. Een eerder had de rechter ongemeen hard en scherp geoordeeld over hun graaizucht en gewetenloze handelen, waarin ze een heel slecht voorbeeld hebben gegeven.
Tegen die achtergrond is het leven van Franciscus een indrukwekkend tegenbeeld: nederigheid en armoede als hoogste deugden. En ik realiseerde me eens te meer: de wereld heeft het voorbeeld van Franciscus hard nodig, vandaag. Hoe moeilijk het ook is dezelfde radicaliteit als Franciscus op te brengen  (er staan allerlei wetten in de weg en praktische bezwaren), zijn levenskeuze is een doorn in het vlees van de westerse beschaving die meer en meer op hebzucht is gebouwd en daar nu een hoge prijs voor gaat betalen. Om een uitweg te zoeken uit deze crisis hebben we het voorbeeld van Franciscus hard nodig. Een voorbeeld dat niet minder dan een venster is op Jezus, door wie hij zich geroepen wist. Deze film uit 1961 is een weliswaar enigszins verouderde maar nog steeds sprekende verbeelding van dit inspirerende levensverhaal. Toch blij dat ik hem gekocht heb.