maandag 6 oktober 2014

Galaten 1: 1-9 Comfort and Challenge


Het begon me de laatste tijd op te vallen dat in boeken en artikelen over geloof steeds vaker de uitdrukking 'comfort and challenge' werd gebruikt. Comfort and challenge, ik vertaal het maar even als 'geborgenheid en uitdaging'. 

Ik las de uitdrukking bijvoorbeeld in Oefenruimte van Sake Stoppels. In dit boek constateert Stoppels dat het voor kerken en gemeenten vaak heel lastig is om de balans tussen geborgenheid en uitdaging te bewaren. Nogal wat kerken hebben een cultuur gekregen die vooral is gericht op vertrouwdheid, warmte en laagdrempeligheid. Mensen kunnen zich snel thuis voelen, maar echt uitgedaagd om geestelijk te groeien worden ze er niet. Andere kerken dagen mensen juist enorm uit en stimuleren ze om vertrouwde grenzen over te gaan en uit de comfortzone te komen; maar zij lopen weer het gevaar dat mensen geen rust meer vinden in het geloof. 

In de Jeruzalemkerk zijn we sinds een jaar of 6 bezig een gemeenschap van leerlingen van Jezus te vormen. Discipelschap noemen we dat. In die 6 jaar zijn we vaak tegen de spanning 'comfort and challenge' aangelopen. Sommigen voelden zich eigenlijk niet voldoende uitgedaagd om te groeien als leerling van Jezus, terwijl anderen juist het gevoel hadden dat het wel een beetje minder mocht. Voor sommigen is de gemeente vooral de veilige thuishaven vanúit een hectische wereld, voor anderen de uitvalbasis voor het leven ín die wereld. 

Tijdens de gemeentedagen van de Jeruzalemkerk hadden we een gesprek over deze dingen. Toen ik op een bepaald moment de uitdrukking 'comfort and challenge' gebruikte bleek deze veel herkenning op te roepen en tijdens de rest van het weekend steeds terug te komen. Blijkbaar was er een snaar geraakt. Langzaam groeide het besef dat het goed zou zijn hier eens wat langer mee bezig te zijn. Uiteindelijk besloten we om er het jaarthema voor 2014/15 van te maken. 

Ik hoop van harte dat dit jaarthema ons zal helpen om een goede balans te vinden, zodat de Jeruzalemkerk meer en meer een plek zal zijn van comfort én challenge, geborgenheid én uitdaging. Volgens Sake Stoppels, die onze gemeente als een van de 10 voorbeelden noemt, slaat in de Jeruzalemkerk de balans duidelijk door naar de kant van comfort. Of dat zo is en wat dat dan betekent gaan we hopelijk ontdekken komen seizoen. Daar ligt in elk geval een uitdaging!

*In Paulus' brief aan de Galaten komt het thema comfort and challenge op een heel bepaalde manier ook steeds aan de orde. De kern van de brief wordt gevormd door de vraag wat genade nu eigenlijk betekent en of genade geen zorgeloze mensen maakt. Dat zit zo.

Volgens de eerste 5 verzen van deze brief gaat het in de genade die God ons bewijst om niets minder dan radicale bevrijding van zonde en kwaad. Genade is namelijk niets minder dan geborgenheid bij Jezus Christus, die, zoals we in vers 4 lezen, 'zichzelf gegeven heeft voor onze zonden om ons te bevrijden uit deze door het kwaad beheerste wereld.' Aan de ene kant zit hier de erkenning achter dat het kwaad zo diep in ons zit dat we er onszelf nooit van kunnen bevrijden. Als we onszelf moeten redden lopen we hopeloos vast. Maar Jezus heeft zichzelf voor ons overgeven. Vóór ons, staat er. Letterlijk: namens of in plaats van. Het offer dat Jezus bracht was plaatsvervangend en daarom is het een reddend offer. Hij deed wat wij niet konden opbrengen en niet voor elkaar kunnen krijgen. Tim Keller beschrijft het zo: 'Jezus deed alles wat wij hadden móeten doen, in onze plaats, dus als hij onze redder wordt, zijn wij volkomen vrij van straf en veroordeling.'

En God de Vader, zegt Paulus in het vers ervoor, heeft dit offer aanvaard als meer dan voldoende. Dat blijkt uit twee dingen. Volgens vers 1 blijkt het uit het feit dat God Jezus opwekte uit de dood. Maar het blijkt ook hieruit dat God ieder die zich aan Jezus Christus toevertrouwt 'genade en vrede' geeft (vers 3). Genade en vrede, dat is in de bijbel de diepste uitdrukking voor een leven in geborgenheid, in comfort dus. Genade en vrede door het bijzondere offer van Jezus.
*Comfort, geborgenheid, is volgens deze paar verzen dus dat je je leven gered weet door wat Jezus voor je deed. Daar gaan we het de komende weken zeker nog vaker over hebben, maar op deze startzondag stel ik de simpele vraag: is het ook onze overtuiging dat we door Jezus in genade en vrede geborgen mogen zijn? Dat lijkt misschien een overbodige vraag, maar dat is het niet. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat je jezelf zo slecht en zondig voelt dat je denkt: die genade en vrede kunnen nooit voor mij gelden. Het kan ook zo zijn dat je zo gewend bent je eigen boontjes te doppen dat je het gewoon moeilijk vindt om te geloven dat een ander dat voor jou zou willen doen. Of het kan simpelweg zo zijn dat het niet voelt, die genade en de vrede en dat je daarom je twijfels hebt. Dus daarom die vraag: hoe geborgen weet en voel je je? Maar ik zeg er meteen wel bij: je mág echt geloven, dat als je gelooft in Jezus, je geborgen bent, in leven en dood.

*Nu voelen we allemaal wel aan dat het idee wat de apostel over genade heeft nogal radicaal is. Het is nogal wat om te geloven dat je op grond van wat een ander voor je gedaan heeft helemaal vrij zou zijn van het kwaad. In elk geval roept dat de vraag op: ja, maar moeten wij dan niets meer doen? Worden wij dan nergens meer toe uitgedaagd? Word je daar niet ontzettend lui en zorgeloos van?

Dat was een vraag die in elk geval in de dagen van Paulus veelvuldig gesteld werd, met name door christenen met een joodse achtergrond. Zij kwamen natuurlijk uit een achtergrond waarin het dóen, het doen van de Thora, van levensbelang was. En zij konden zich niet goed voorstellen dat christenzijn zou betekenen dat die Thora, die gehoorzaamheid, voortaan geen rol meer zou spelen. En dus begonnen zij hun medegelovigen uit te dagen om allerlei onderdelen van die wet (of van de joodse traditie) toch weer heel serieus te nemen. Je moet dan bijvoorbeeld denken aan dingen als besnijdenis, het houden van bepaalde feestdagen, voedselwetten, dat soort dingen. En eerlijk is eerlijk: het waren wel mensen die het geloof serieus namen, die op die manier geloofden te zullen groeien in het geloof. Het waren mensen die de challenge-kant van het geloof heel serieus namen.

En toch maakt Paulus gehakt van hun streven. Hij wordt er zelfs woedend over. Waarom? Omdat hij ervan overtuigd is dat dit tot moralisme zal leiden en de gemeente uiteindelijk het zicht op Gods genade zal ontnemen. Wat hier verkondigd wordt is een ánder evangelie, zegt hij vers 6 en 7, maar eigenlijk ís het geen evangelie, want je raakt er het zich op Christus door kwijt. Paulus is zo boos dat hij de valse predikers zelfs vervloekt.
*Al met al een heftig begin van deze brief, maar ik moet zeggen dat ik er wel blij mee ben. Nee, niet met die vervloekingen - dat laat ik liever aan collega Rikko Voorberg over, die schreef NRC Next dat we in de kerk meer moeten vloeken :). Nee, ik ben blij met de waarschuwing dat het zoeken naar uitdagingen in geloof en discipelschap heel gemakkelijk tot moralisme en wetticisme kunnen leiden. Ik ken verschillende boeken over discipelschap die naar mijn gevoel echt in die hoek zitten. Dat is waar we het komende seizoen in elk geval voor moeten waken, dat we onzelf en elkaar niet opzadelen met uitdagingen die de genade verduisteren.

Positiever gezegd: we zullen in het komende seizoen moeten ontdekken hoe we kunnen groeien in genade. Hoe we dus op een genadige manier uitgedaagd worden om uit onze comfortzone te komen. het gaat hier dus om de goede balans tussen geborgenheid én uitdaging, comfort ánd challenge.

Die balans is mogelijk wanneer we al ons vertrouwen stellen op Christus, die alles voor ons gedaan heeft wat wij niet konden. Bij hem mag je je geborgen weten, voor eeuwig en altijd, met al je tekorten en zonden. Maar juist vanuit die geborgenheid zal hij je aansporen om te veranderen en je leven te vernieuwen. En een nieuwe leven betekent dan dat 'Christus in je gestalte krijgt', zoals Paulus dat in hst. 4 zal noemen.

Zo gaan we vandaag beginnen aan een seizoen waarin comfort and challenge centraal zullen staan. Het kan bijna niet anders of hier zullen mooie dingen uit voortkomen.

dinsdag 23 september 2014

Een vertrouwd Luthers geluid

(Deze recensie verscheen op maandag 22 september 2014 in het Friesch Dagblad)

Tim Keller, predikant van Redeemer Presbyterian Church in New York, schrijft sneller dan de meesten van ons bij kunnen houden. Een jaar of zeven geleden vertelde één van de medewerkers van Redeemer me dat Keller de laatste jaren van zijn bediening wilde besteden aan schrijven. Liefst wilde hij de thema’s die in zijn preken telkens terugkomen breder uitwerken en zo breder bekend maken. Het ziet er naar uit dat dit gaat lukken, want het rijtje witte kaften in mijn kast begint indrukwekkend te worden. Maar nu is er een setje blauwe boeken, hetgeen doet vermoeden dat het hier om een ander genre gaat. En dat klopt ook: voor het eerst publiceert Keller nu een bijbelstudieboek en wel over de brief aan de Galaten.

Voor wie het werk van Keller kent is de keuze voor deze brief niet verrassend. In deze brief gaat het over een thema dat niet minder dan het hart van zijn preken en boeken vormt: het Evangelie van de genade tegenover alle vormen van moralisme en afgoderij. Interessant daarbij is dat Maarten Luther – één van Kellers belangrijkste leermeesters – ook een beroemd geworden commentaar schreef op die brief. En net als Luther gebruikt ook Keller de brief aan de Galaten om de kern van het Evangelie voor zijn eigen tijd onder woorden te brengen. 

Keller volgt in dit boek – Om te lezen, te leren, te leiden – de gedachten van Paulus op de voet. In dertien hoofdstukken legt hij verreweg de meeste verzen uit en brengt ze in gesprek met gedachten van mensen vandaag. Net als in zijn andere boeken is de stijl glashelder, zijn de voorbeelden aansprekend en is de boodschap kernachtig. Zoals altijd is hij zowel in gesprek met mensen binnen als buiten de kerk. Wie dit boek doorwerkt kan er zeker van zijn dat hij in alle toonaarden heeft gehoord wat een leven uit genade inhoudt. En waar Paulus in gesprek is met godsdienstige ideeën uit zíjn tijd, doet Keller dat met die uit de onze. Het zijn gesprekspartners die we uit zijn andere boeken inmiddels door en door kennen: het moralisme (de neiging om jezelf te redden door de wet te houden), het liberalisme (de neiging om jezelf te redden door vrij te zijn), de afgoden (geld, seks, macht) en de andere religies (die volgens Keller allemaal over zelfredzaamheid gaan). Tegenover dit alles presenteert Keller het Evangelie als de gulden middenweg en de enige boodschap die echt bevrijdt.

Eerlijk gezegd begon het in dit boek af en toe wel wat te kriebelen: klopt het allemaal niet té mooi bij Keller? Doe hij andere religies recht als hij schrijft ‘Religie en filosofie in zijn algemeenheid zeggen dat God en redding alleen beschikbaar zijn voor wie goed zijn.’? En is het echt waar dat het Evangelie altijd het juiste midden lijkt te zijn tussen andere opvattingen die dus allemaal te eenzijdig zijn? En wat dit laatste betreft: opvallend is dat Keller in een aanhangsel iets schrijft over het ‘nieuwe perspectief’ dat is ontstaan op het naleven van de wet. Hij doelt daar op een ontwikkeling in de uitleg van het Nieuwe Testament, waarin de met name door Luther sterk verbreide opvatting dat het Jodendom volgens het Nieuwe Testament wettisch en moralistisch is wordt gerelativeerd. Volgens de opvattingen van E.P. Sanders en de ook in Nederland inmiddels veelgelezen Tom Wright gaat het in de naleving van de wet niet zozeer om het verdienen van de genade maar om het bewaren van de nationale identiteit. Wie vanuit dat perspectief naar de Galatenbrief gaat kijken komt op zijn minst tot andere accenten en misschien wel andere conclusies dan Keller. Deze gaat wel serieus met hen in gesprek, maar duidelijk wordt dat hij zich de visie van Luther ten diepste niet laat ontfutselen. Dat roept toch de vraag op of in dit boek over Galaten Paulus aan het woord komt of toch vooral het beeld van Paulus dat Luther over hem had.

Deze vragen doen verder niets af aan het feit dat Keller een leesbaar en opbouwend boek schreef. Het gespreksgidsje, met handleiding voor de kringleider, is zeer bruikbaar. In onze gemeente gaan we er de komende maanden mee aan de slag, in preken en op kringen. Ik verwacht dat dit boek ons zal helpen om te groeien in de kennis van en het leven uit de genade van Christus. En zinnen als deze zullen daar zeker bij helpen: ‘Het geweldige en centrale fundament van de christelijke zekerheid is niet in hoeverre ons hart op God gericht is, maar hoe onwrikbaar vast zijn hart op ons gericht is. En als we gaan begrijpen dat we ‘door God gekend’ zijn, dan doen we er geen moeite voor om ons zelfbeeld op te vijzelen of voor Hem te verschijnen op grond van ons gedrag.’

Galaten – Om te lezen, te leren en te leiden, Tim Keller. Uitgeverij Van Wijnen. 16,95 euro


Galaten – gespreksgids, Tim Keller. 7,50 euro

dinsdag 16 september 2014

Marlene Dumas - The Image as Burden - Expositie Stedelijk Museum Amsterdam, 2014

Als kunstenaar ben ik geïnteresseerd in beelden’, zegt Marlene Dumas ergens in de catalogus van de tentoonstelling The Image as Burden (p. 61). Zo op het eerste gehoor een weinig verrassende opmerking, maar wie beter kijkt ontdekt dat dit een van de belangrijkste sleutels tot haar werk is. Alle schilderijen van Dumas zijn bewerkte beelden. Beelden uit de schilderkunst (Santa Lucia van Caravaggio), maar vooral ook beelden van onze tijd: foto’s en filmstills. Die beelden draagt de kunstenaar als een last met zich mee en vervolgens probeert ze ze zo te bewerken dat je er als kijker op een nieuwe manier in mee gesprek raakt. De kijker doet dus volop mee in het kunstwerk.

Om de kracht van de haar beelden te ervaren moet je ze trouwens wel in het echt zien. Levensgroot zijn ze vaak, met de bijzondere werking van haar kleurgebruik en penseelvoering. Mijn eerste kennismaking wás met het echte werk, tijdens de overrompelende expositie in het Stedelijk. De moeizame weg naar de betekenis van haar werk zoals David Goldblatt die beschrijft (hij leerde eerst afbeeldingen in catalogi kennen, p. 132) is mij dus bespaard gebleven. Deze eerste kennismaking maakte direct veel indruk op me, al wist ik niet zo goed waarom. Het lezen van de catalogus (en de prima teksten aan de muren) hebben me zeker verder geholpen. Ik zal daarom een paar keer naar deze teksten verwijzen.

Grote indruk maakte om te beginnen een klein doek van de dode Marilyn Monroe. 40 bij 50 cm meet het en het is gebaseerd op een autopsiefote van de in 1962 op 36-jarige leeftijd overleden stijlicoon. Zomaar opeens sta je heel dicht bij haar gezicht en in één klap besef je dat Dumas met dit portret een illusie ontmaskert.  De illusie van de door Monroe belichaamde schoonheid, die iconisch is geworden. De glamour van Holywood, maar ook van al die andere iconische beelden van schonen die ons omringen. ‘Verdwenen is de sprankeling, de aantrekkelijkheid, de onbezonnen jeugd’, lees ik (p. 141).  Dit dodenmasker – krijtwit, vlekkerig, ijskoud, dood – is een meditatie over vergankelijkheid. Een indrukwekkend memento mori dus. Maar wel –en dat grijpt me aan  - een memento mori zonder hoop.

Ook de serie Jesus Serene blijft me bij. 21 portretten van het gelaat van Jezus hangen, 7 horzontaal, 3 verticaal, bij elkaar. Sommige lijken op de klassieke beelden uit de schilderkunst, andere gezichten zijn veel hedendaagser. Heel verschillend zijn ze en dus wordt de vraag: Hoe zie ík Jezus? Wie is hij, wie is hij voor mij? Geen van de beelden geeft mij echter toegang tot zijn aanwezigheid. Er blijft iets van afstand en dat lijkt ook de bedoeling, getuige dit citaat van Dumas: ‘De gelaatsuitdrukkingen moesten een fysieke afwezigheid suggereren, alsof hij door je heen kijkt. Een gevoel van “Raak me niet aan.” En toch moest je je wel aangetrokken voelen tot deze man, ook al wilde hij je niet als vrouw of als materieel wezen.’ (p. 86). Dumas dwingt je, als 21e eeuwse kijker, dus tot een andere blijk maar ook tot een andere houding dan de schilders van de oude kerkelijke kunst. Die zochten een veel directere verbinding met Christus en wilden die bewerkstelligen bij de (devote) kijker. Die kans geeft Dumas haar kijkers niet en dat maakt haar werk zo indringend, maar ook zo complex.

In dat verband moet ik ook de levensgrote doeken van Jezus aan het kruis noemen. Dumas legt het moment vast waarop Jezus in de diepste godverlatenheid verkeert. De doeken tonen Jezus niet als het Lam van God dat de zonde van de wereld draagt, maar eerder als de bedrogen zoon, verlaten door zijn vader. In Solo zien we Jezus hangen tegen een lege, grauwe achtergrond, hoog boven de aarde. En op Gravità zien we allen de torso van Jezus, met zijn aan het kruis gespijkerde armen. De blik wordt getrokken naar de inktzwarte driehoek die tussen de armen en het hoofd te zien is. Dit is godverlatenheid! Fascinerend is, dat de beelden worden verbonden met een beeld van Phil Spector, die zich in de rechtbank moet verantwoorden voor moord; en met dat van Amy Winehouse, de zangeres die aan drank ten onder ging. De laatste twee portretten zijn klein, zeker in relatie tot de levensgrote die zijn voorbehouden aan Jezus, de Messias. Maar ook hun portretten getuigen van eenzaamheid, van verlatenheid. Godverlatenheid?

Marlene Dumas leert ons dus kijken naar de wereld zoals die is. Maar biedt haar werk ook iets overstijgends, biedt het ook hoop? Transcenderen haar beelden de beelden waarop ze gebaseerd zijn?  Mijn eerste neiging is daarop ontkennend te antwoorden. Dumas laat het leven zien zoals het is, niet zoals het zou kunnen of moeten zijn. Ze leert je kijken met andere ogen, maar waar je oog voor krijgt is: het lijden, de illusies, de dood.  Zelfs de Jezusbeelden verwijzen niet naar God (of het goddelijke), maar naar de condition humaine.  De diepste troost zit naar mijn idee in het mededogen waarmee Marlene Dumas zélf kijkt en weergeeft. Ze is geen meedogenloze, cynische beschouwer, maar een deelnemer die zich laat raken. En misschien is dat de hoogste troost die postmoderne kunst als deze kan bieden.


maandag 8 september 2014

Joseph Conrad - Heart of Darkness (1898)

Joseph Conrad – Heart of Darkness (1898)

Heart of Darkness is om te beginnen een scherpe kritiek op het Europese imperialisme. Op zijn tocht over de Congo-rivier observeert Marlow (Conrads alter ego) tal van uitwassen van het o zo nobele ideaal om beschaving in de wildernis te brengen. De belichaming van deze ontluistering is Kurtz, de multi-getalenteerde agent van het Central Station, die meer ivoor binnenbrengt dan wie ook. Zijn geheim blijkt te zijn dat hij ‘zichzelf lostrapte van de aarde’ (He kicked himself loose of the earth’). Dit houdt vooral in, dat hij zichzelf verbond met de locale bevolking, waarmee hij de beschaving achter zich liet en zich ging gedragen als een godheid die aan niemand rekenschap hoefde af te leggen. Met zijn retorische gaven betoverde hij velen, maar verloor hij uiteindelijk zichzelf. Zijn laatste woorden, ‘The horror! The horror!’ getuigen volgens Marlowe echter van zelfinzicht en dus van een moment van waarheid in het aangezicht van de dood. Kurtz, de ‘hollow man’ die de Übermensch heeft uitgehangen, komt tot het inzicht dat de mens in extreme omstandigheden tot het ergste in staat is.

Heart of Darkness gaat dus over veel meer dan kolonialisme. Het gaat over de condition humaine, over het dunne laagje beschaving en over hypocrisie. De kracht van dit korte verhaal is dat Conrad in een zeer compacte stijl, vanuit verschillende gezichtspunten, een zeer gelaagd beeld geeft van de mens in extreme omstandigheden. Als lezer word je meegenomen op een reis naar duisternis van je eigen hart. Daar wilden de eerste lezers van het verhaal nog niet aan (hen lukte het nog om zich de diepte van de aanklacht van het lijf te houden), maar de verschrikkingen van de 20e eeuw maken dat voor 21e eeuwse lezers onmogelijk. Francis Ford Coppola werkte het verhaal van Conrad om tot de hallucinerende film Apocalypse Now, waar de Amerikaanse soldaten in Vietnam op hún manier worden geconfronteerd met de horror, de horror. Een onvergetelijke film.


De horror zit in ons allemaal, laten we daar geen illusies over koesteren. Menselijk beschaving legt er hooguit een laagje vernis overheen. Om van de horror verlost te worden is een bovenmenselijke inspanning nodig. Conrad helpt me verstaan wat tegen die achtergrond de betekenis van het woord van Johannes  over Jezus is: ‘En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.’ (Johannes 1:5).

vrijdag 5 september 2014

Bijdrage aan het Theologisch Elftal, verschenen in Trouw op vrijdag 5 september 2014

Ophef rond een vrijwillig einde: het blijft nodig

“Wat je ziet in de euthanasiedebat is dat er telkens twee fundamentele waarden op elkaar bosten. Aan de ene kant die van de persoonlijke autonomie: het verlangen van mensen om zélf te kunnen beslissen, ook over hun levenseinde. Daar tegenover staat de waarde van de gemeenschap: de belangen, gevoelens en verantwoordelijkheden van de mensen om dit individu heen. Die botsing zie je bij deze twee cases van de Levenseindekliniek heel scherp naar voren komen.
Mensen die een wilsverklaring opstellen, doen dat in eerste instantie geïsoleerd. Ze schrijven op wat zíj willen. Dit is hún beslissing. En als ze dat hebben opgeschreven denken ze: ‘zo, nu is het geregeld’. Maar als het erop aankomt blijkt die autonomie toch een illusie te zijn. Je kunt honderd keer opgeschreven wat je wilt dat er later met je zal gebeuren, maar kom je uiteindelijk in de situatie dat die wilsbeschikking van toepassing wordt, dan zal de wetgever toch altijd nog zeggen: ‘dit moet eerst getoetst worden’. De artsen zullen nog steeds die hun eigen inschatting moeten maken. Het is onmogelijk om twintig jaar van tevoren te overzien wat de situatie zal zijn. Want er zullen altijd, hoe je het ook wendt of keert, andere mensen bij betrokken raken. Artsen, verpleegkundigen, familie. En die heb je als individu niet helemaal in eigen hand.
Euthanasie is geen zaak van het individu alleen. Elke keer als er euthanasie gepleegd wordt, is dat ook iets wat de gemeenschap aangaat. Daarom is het zo’n veelbesproken onderwerp op straat en in de media. Dit raakt de samenleving. We moeten euthanasie dus nadrukkelijk in dat verband blijven zien. Ik ken de details niet, maar het lijkt erop dat de Levenseindekliniek te veel aan de kant zijn gaan hangen van het individu. Ze zijn een soort belangengroep, en zoals elke belangengroep loopt die het gevaar zozeer de eigen mensen te willen dienen dat de zorgvuldig eronder lijdt.
Afgelopen week preekte ik uit Paulus’ brief aan de Efeziërs, het vierde hoofdstuk. Daarin gaat het over mondigheid. Het is de bedoeling, schrijft Paulus, dat gelovigen mondig worden, geestelijk volwassen. Frappant is dat de context waarin hij dit zegt heel nadrukkelijk gaat over de gemeenschap, waarin hij oproept elkaar vast te houden. Bij hem heeft mondigheid ook te maken met zorg voor de ander, met verantwoording kunnen afleggen aan elkaar. En natuurlijk aan God.
Hoe erg is een verpleeghuis? Is het een goede grond voor euthanasie? Ik vind het lastig hier een oordeel over te vellen. Ik las een reactie van iemand wiens vrouw al drie jaar in verpleeghuis zat tot ze overleed. Hij had daar vrede mee, zei hij. ‘Het is goed voor ons geweest. We moeten er niet zo bang voor zijn.’ Het is belangrijk dat we in gesprek blijven met elkaar. Het is niet genoeg dat je zegt: maar dit is nu eenmaal wat ík wil. Er zijn ook ervaringen van anderen waar we als gemeenschap naar moeten luisteren. Omdat we steeds op zoek zijn naar het antwoord op die ene hamvraag: wat is precies ondraaglijk lijden, en wie bepaalt dat? In een seculiere, geïndividualiseerde samenleving komen die vragen steeds meer op scherp te staan.
Iemand schrijft in een wilsverklaring dat hij later in geen geval naar een verpleeghuis wil. Twintig jaar later moet die persoon opgenomen worden in een verpleeghuis. Hij is inmiddels wilsonbekwaam. Lijdt hij ook ondraaglijk, zoals hij twintig jaar eerder zelf inschatte? Op dat moment moet je voor de beslissing tot euthanasie over te gaan, de keuze maken: naar wie luisteren we? De twintig jaar jongere versie van deze persoon? Of naar de omgeving, die op dit moment probeert in te schatten hoe ondraaglijk het lijden van de persoon in kwestie is? Ik kan daar natuurlijk geen absoluut antwoord op geven, maar in het algemeen ben ik toch geneigd de stem van de gemeenschap zwaar te laten meewegen.



vrijdag 29 augustus 2014

Mindful met Jezus

Philip Troost, Mindful met Jezus

Recensie voor Friesch Dagblad, augustus 2014


Mindfulness is in Nederland met een gestage opmars bezig. Steeds meer mensen zoeken in onze gestresste tijd hun heil bij deze meditatieve techniek, die zijn oorsprong heeft in het boeddhisme. Als ik in dit verband de uitdrukking ‘heil zoeken’ gebruik moet ik wel even nuanceren. Voor veel mensen is mindfulness geen religieuze heilsweg, maar eerder een oefening in psychisch welbevinden. Dit was ook precies de bedoeling van de Amerikaanse hoogleraar psychiatrie, dr. Jon Kabat-Zinn, die het begrip mindfulness als eerste uit de boeddhistische context haalde, om het op die manier bruikbaar te maken voor de medische praktijk. Inmiddels hebben zo ook veel christenen die last hebben van piekeren of stress kennisgemaakt met deze aandachtsoefeningen.

Toch blijft het een spannende vraag of we deze van oorsprong boeddhistische praktijk als waardeneutraal kunnen beschouwen. Haalt de kerk daarmee niet een paard van Troje binnen? Met die vraag begint Philip Troost zijn boekje Mindful met Jezus. Troost werkt in een praktijk voor transpersoonlijke therapie en pastoraat. Hij houdt zich al zo’n dertig jaar bezig met vormen van mindfulness. Hij is er van overtuigd dat deze praktijk heilzame kanten heeft, en hij vindt  dat christenen er dankbaar gebruik van mogen maken. Het is een ‘mogelijkheid’ die God zelf in zijn schepping heeft gelegd.  Met een zekere felheid schrijft hij in zijn inleiding: ‘Ik voel me echt pijnlijk verontwaardigd over hoeveel moois van God wij als westerse christenen zijn kwijtgeraakt, en dat ik vaak niet-christenen nodig heb en oosters georiënteerde denkers om hier achter te komen.’ En  even later: ‘In de cultuur van de oosterse religies heeft men gemakkelijker feeling kunnen houden met bepaalde levenswetten en wijsheden die God in de schepping heeft gelegd, dan wij hier in het Westen.’ In deze lijn  ontwerpt hij in zijn boek dan ook geen mindfulnessprogramma met een christelijk sausje, maar een ‘eigen programma met daarin alle basisingrediënten van de “gewone”  mindfulnesstraining verwerkt. We pakken als het ware terug wat we als westerse christenen kwijtgeraakt waren.’

Ik vind in de inzet en aanpak van Troost in veel opzichten vruchtbaar en overtuigend. Op creatieve wijze brengt hij de verschillende basisingrediënten van mindfulness in verbinding met de grote bijbelse en christelijke thema’s. Mooi vond het ik het hoofdstuk ‘Genieten van genade’, waarin hij duidelijk maakt hoe de bijbelse genadeleer kan leiden tot een praktijk van ‘aanvaarden wat er is zonder te oordelen’ - een van de kernnoties van mindfulness. Sprekend vind ik ook zijn voorstel om de term ‘inwezigheid’ te gebruiken als aanduiding van het ‘afstemmen’ op de Gods aanwezigheid in het geschapen leven hier en nu.
Maar een beetje gekunsteld is zijn redeneertrant af en toe wel. Troost maakt graag gebruik van woordspelingen die hem helpen om verbindingen te maken die theologisch-inhoudelijk nogal hachelijk zijn. Maar dat doet niets af van het feit dat Troost een overtuigend pleidooi houdt om de behulpzame kanten van mindulness niet ongebruikt te laten liggen. Voor mijn eigen bezinning op de kerkelijke praktijk in Amsterdam helpt dit in elk geval zeer, want hoe je het ook wendt of keert: mindfulness is voor de kerk van vandaag een groeiende uitdaging.