maandag 30 maart 2015

Marcus 11:1-11 Welkom aan de Koning en zijn rijk

Verkondiging en kringmateriaal van zondag 29 maart 2015 in de Jeruzalemkerk


Focus en functie

Focus
Jezus organiseert een rijdier, waarop hij Jeruzalem binnen wil rijden. Zijn symbolische actie roept herinneringen op aan de intocht van Judas de Makkabeeër, een paar eeuwen eerder. De betekenis van zijn intocht blijkt toch een andere te zijn dan veel mensen hopen en geloven. Jezus’ komt als koning van het Koninkrijk van God, uitdrukking van Gods droom voor Israël en de wereld. Hoe beperkt het begrip van de omstanders ook is, hun reactie is navolgenswaardig: gehoorzaamheid aan de opdracht van Jezus, het belangrijkste wat ze bezitten uitspreiden voor de koning (hun mantels) en geloofsbelijdenis met geijkte en spontane woorden.

Functie
De gemeente begrijpt wat de situatie in dit verhaal is: de details van de intocht en de achtergrond van een vergelijkbare intocht van Judas de Makkabeeëer.
De gemeente ontdekt wat de mogelijkheden van het Koninkrijk zijn die hier worden geopend: het unieke koningschap van Jezus, de wijze waarop hij de tempeldienst, het koningschap en het land tot hun bestemming komt brengen.
De gemeente weet wat haar te doen staat: gehoorzamen aan de opdrachten van de Koning, wat zij bezit in dienst stellen van het Koninkrijk, belijdenis afleggen van wat zij gelooft van de Koning en zijn rijk.

Gespreksvragen
1.Welke betekenis heeft Palmzondag voor onze gemeenten en voor je eigen geloofsbeleving?

I. Wat is?
2.Het boek 2 Makkabeeën beschrijft het verhaal van Judas de Makkabeeër. Wat lees je in hoofdstuk 10 en hoe vormt dat de achtergrond voor Marcus 11?

3.Wat zie je Jezus doen? Wat zijn de details? En hoe reageren de mensen?

4. Jezus komt binnen in de situatie van de Joden van toen en dus ook in hun dromen en verwachtingen. Welke dromen en verwachtingen van ons komt hij binnen?

II. Wat kan?
6. In tegenstelling tot de andere evangelisten legt Marcus in zijn verhaal geen nadruk op de nederigheid van Jezus (zijn rijdier wordt niet expliciet ezel genoemd, hoewel NBV dit wel zo vertaalt). Wat zegt dit over de macht en glorie van Jezus?

7. Jezus gaat volgens Marcus niet op dezelfde dag naar tempel om daar het plein te reinigen (volgens Mattheus doet hij dat wel). Wat kan daar de reden van zijn?

8. Wat mogen we geloven van Jezus en zijn rijk voor onze wereld en ons leven?

III. Wat zal?
9. Marcus biedt tenminste drie voorbeelden van wat mensen doen in reactie op Koning Jezus: de leerlingen gehoorzamen, de omstanders spreiden hun mantels uit en ze uiten hun geloof. Bespreek die reacties.

10. In de preek worden de drie aanknopingspunten een beetje uitgewerkt. Bespreek die aanzetten met elkaar.

IV.

11. Wat is de comfort en wat de challenge van dit gedeelte?
Orde van dienst
Welkom en mededelingen

Voorbereiding
Intochtslied: Psalm 72:2 (orgel)
Stil gebed
Bemoediging en groet

Lofprijzing en aanbidding
-Psalm 72: 3 en 4(orgel)
- Opwekking 72 Zoek eerst het koninkrijk(band)
- Opwekking 268 Hij kwam bij ons(band)

Nadering tot God
-Fragment doopformulier
-Gebed om vergeving en vernieuwing
-Dooplied Sela(band)

Bediening van de doop
-Doopgeloften ouders (op het podium)
-Zingen: Gezang 335: 1 en 2 (kinderen komen binnen)
-Voorstellen en gelofte van gemeente (staande)
-Lied door de kinderen
-Doopgebed
-Doopbediening
-Overhandiging doopkaarsen
-Zingen: Psalm 134:3 oude berijming
-Kinderen verlaten de kerk

Het Woord van God
-Bijbellezing: -2 Makkabeeën 10:1-9
               -Marcus 11:1-11
-Tekst voor de verkondiging: Marcus 11: 9-10
-Verkondiging, met als thema: Welkom aan de Koning en zijn rijk

Ons antwoord
Zingen: Gezang 173 (orgel)

Gebed

Inzameling van de gaven
Binnenkomst van kinderen/palmpasenstokken

Zingen: Psalm 118:9(orgel)

Zegen



2 Makkabeeën 10:1-8
1  Judas Makkabeüs en zijn mannen namen, geleid door de Heer, de tempel en de stad weer in bezit.
2  De altaren die door vreemdelingen op het marktplein waren neergezet, haalden ze omver, en ook de heiligdommen die daar waren gebouwd.
3  Nadat ze de tempel hadden gereinigd, maakten ze een nieuw altaar. Ze sloegen nieuw vuur en brachten voor het eerst na twee jaar weer offers. Ook brandden ze wierook, verzorgden de lampen en legden weer toonbroden neer.
4  Toen dit alles gedaan was, bogen ze diep voorover en smeekten de Heer om hen nooit meer met zulke rampen te overvallen, maar hen, wanneer ze ooit weer zouden zondigen, met mildheid te straffen en niet uit te leveren aan heidense barbaren.
5  Op dezelfde dag van dezelfde maand dat deze door vreemdelingen was ontwijd, op 25 kislew, vond de reiniging van de tempel plaats.
6  Vol vreugde vierden ze acht dagen lang feest, zoals dat ook voor het Loofhuttenfeest gebruikelijk is, en ze dachten eraan hoe ze nog maar kort geleden het Loofhuttenfeest hadden moeten vieren in holen in de rotsen, als dieren in het wild.
7  Ze droegen met loof versierde stokken, groene twijgen en palmtakken en zongen lofliederen op hem die hen in staat had gesteld zijn huis te reinigen.
8  Bij algemeen besluit werd bepaald dat het hele Joodse volk voortaan ieder jaar deze dagen zou vieren.



Gemeente van Christus, gasten in ons midden,

De geboorte van een kind maakt ons er heel bewust van in welke wereld we leven, maar ook van wat we van die wereld hopen. Ik weet nog dat wij, bij de geboorte van onze oudste dochter, de krant van die dag bewaarden, een krant vol met berichten die nu eenmaal in de krant staan: oorlogen, rampen, schandalen en geruchten. Die krant maakte ons ervan bewust dat dít de wereld was waar ons kind in geboren werd. In veel opzichten een angstige wereld.

Maar op één of andere manier wakkerde die krant óók onze dromen aan. Dromen over een leefbare en gelukkige toekomst voor ons kind, waaraan zij hopelijk zelf ook een bijdrage zou mogen leven. Want wat er ook allemaal in die krant stond, dit kind, óns kind was een symbool van hoop, van nieuwe leven, van een nieuwe toekomst.

De geboorte van een kind is dus zo'n moment van vrees en hoop, van besef van de werkelijkheid en van nieuwe dromen. En van precies zo'n zélfde moment, maar dan in het oude Jeruzalem, zijn we getuigen in Marcus 11, het verhaal van de Palmzondag.


I. Wat is?
Wat is er aan de hand, daar in Jeruzalem? Kort samengevat dit: op het moment dat Jezus op een rijdier de stad in komt, ziet een flinke groep mensen daarin de geboorte van een nieuwe tijd en dus gaan ze uit hun dak van blijdschap.

Om enigszins te begrijpen wat hier gebeurt moeten we goed beseffen in welke situatie het Joodse volk zich destijds bevond. Het volk leefde al eeuwenlang onder vreemde overheersing, op dit moment die van de Romeinen. Al heel lang waren ze dus beroofd van hun vrijheid, maar eigenlijk was dat niet hun grootste probleem. Wat echt diep zat bij velen was, dat ze door die overheersing ernstig werden beknot in tenminste drie dingen die gééstelijk opzicht bepalend waren voor de identiteit van het volk. Om te beginnen was de tempeldienst door allerlei politieke verwevenheid niet meer wat hij voor het besef van velen moest zijn. Vervolgens was er geen koning uit het huis van David meer die regeerde. Én het beloofde land was bezet door heidense machten. Bij elkaar opgeteld betekende dit voor de Joden van toen een permanent gevoel van crisis en vreemdeling zijn in hun eigen land.

Niet zo vreemd dat telkens weer teruggegrepen werd naar teksten zoals 2 Makkabeeën, waaruit we vanmorgen een paar verzen gelezen hebben. Judas de Makkabeeër kwam in de 2e eeuw voor Christus in opstand tegen de Griekse overheersers en tegen de Judese overlopers. Het doel van de opstand was de zuivering van de joodse godsdienst en de zuivering van de tempeldienst. Over dat laatste lezen we in hoofdstuk 10 en daar lezen we ook hoe het volk reageerde: 'ze droegen met loof versierde stokken, groene twijgen en palmtakken en zongen lofliederen op hem die hen in staat had gesteld zijn huis te reinigen.'

En als we dán zien hoe de mensen in Jeruzalem reageren op de intocht van Jezus, dan snappen we meteen waarom zij spontaan takken met bladeren uitspreidden op de weg. Voor hun geloof was Jezus de vervulling van hun dromen, een nieuwe Judas Makkabeüs, die de vijanden zou verjagen, het koninkrijk zou herstellen en de tempel zou reinigen. Dat is wat zij bedoelen als ze zingen: 'Gezegend het komende koninkrijk van onze Vader David’.


*Raakt dit gebeuren van toen op een of andere manier aan ónze situatie? Nou, in elk geval zet het ons erbij stil, dat als Jezus ons pad kruist of zelfs ons leven binnenkomt, we worden aangesproken op onze eígen dromen. Ook wij hebben oude verhalen waar we steeds naar teruggrijpen om er hoop uit de putten voor de toekomst. Het verhaal van Michiel de Ruyter bijvoorbeeld, waar pas een film over gemaakt is; of het verhaal van het Nederland in de jaren 50, toen alles nog herkenbaar en overzichtelijk was. Of het verhaal van onze familietraditie, waarvan we ons de voorzetter voelen. Of het verhaal van de vroegste kerk, waar we naar terugverlangen. Al die verhalen vormen onze dromen en misschien komen ze aardig overeen met de droom van de man die op een rijdier Jeruzalem binnenkomt. Maar misschien zijn het ook teveel onze éigen dromen en komt Jezus ze doorkruisen.

Laten we nu eerst stilstaan bij de droom van Jezus, de droom die hem tot deze bijzondere intocht brengt.


II. Wat kan?
Dat Jezus wordt voortgedreven door een droom werd in het voorafgaande deel van Marcusevangelie al wel duidelijk. Het was niet zozeer zijn eigen droom, maar die van zijn Vader in de hemel. En die droom heet: het koninkrijk van God. Een uitdrukking die als twee druppels lijkt op de droom van de mensen toen, maar er hemelsbreed van verschilt.

Wat laat Jezus hier zien, met zijn intocht? Door op soevereine wijze een rijdier ter verkrijgen, door er op te gaan zitten en de stad binnen te rijden door zich te laten toejuichen geeft Jezus een duidelijk statement af: ja, ik ben inderdaad de messias, de langverwachte koning uit het huis van Israël, de bevrijder en hersteller van de tempeldienst. Maar in het verhaal zoals Marcus het vertelt vallen op zijn minst twee dingen op.

Om te beginnen: waar de andere evangelisten vertellen dat Jezus op een ezel rijdt - een symbool van nederigheid! - lijkt Marcus daar niets vanaf te weten. Hij heeft het over een veulen, maar van welk dier laat hij in het midden. En dus ligt er bij hem ook geen accent op Jezus' nederigheid, maar is het beeld er juist één van glorie en majesteit. Op dit punt ziet Marcus dus geen correctie op de verwachtingen van het volk.

Dat lijkt hij wel te zien aan het slot van de vertelling, als Jezus naar de tempel gaat. Even lijkt het erop, dat Jezus in het voetspoor van Judas de Makkabeeër gaat en van de reiniging van de tempel een statement zal maken zoals deze dat deed. Maar Marcus schrijft dat Jezus alleen even rondkijkt en dan naar huis gaat. Hij gaat dus niet op die dag naar de tempel. De dag erop wel, maar nu nog niet. Waarom? Omdat zijn tijd nog niet gekomen is. Over een paar dagen zal hij sterven aan een romeins kruis en op het moment van zijn dood zal het gordijn voor het allerheiligste deel van de tempel van boven naar beneden door midden scheuren. Die gebeurtenis zal nog veel radicaler zijn wat Judas de Makkabeeër deed: Jezus zal de tempeldienst niet reinigen, maar met het offer van zijn eigen dood vervullen en overbodig maken. Maar dat kunnen de mensen die hem omringen op deze dag nog niet begrijpen en dus geeft hij geen aanleiding voor verkeerde verwachtingen. Het interessante is dan natuurlijk wel, dat Mattheüs vertelt dat Jezus het tempelplein wél reinigt van de geldwisselaars. Maar Marcus doet dat dus niet.


*Wat mogen wij nu eigenlijk geloven en verwachten op grond van dit gebeuren? Wat mogen wij geloven voor onze kinderen?

Mijn antwoord zou zijn: Jezus laat hier zien dat hij degene is die onze dromen van een nieuwe wereld komt vervullen. Niet op ónze manier - dat zou veel te beperkt zijn - maar op Góds manier. Met zijn glorieuze intocht belooft Jezus ook ons en onze kinderen dat zijn koninkrijk is aangebroken en zal doorbreken in de wereld. Zijn intocht is ook een ruimhartige uitnodiging om in dat koninkrijk te leven, onder zijn genadige en bevrijdende heerschappij; om vervuld te worden van een hoop die sterker is dan de angst en sterker is dan de dood. Om deel te krijgen aan de nieuwe wereld die wij niet kunnen maken maar die door God geschapen zal worden, langs de weg van Jezus.

De glorieuze intocht van Jezus in Jeruzalem is een uitnodiging zijn koninkrijk binnen te gaan.


III. Wat zal?
Met zijn intocht in Jeruzalem opent Jezus dus een vergezicht op een nieuwe wereld vol ongekende mogelijkheden. De nieuwe wereld van zijn koninkrijk. Maar wat moeten wij doen om daar deel aan te krijgen? Wat mogen we daarvan aan onze kinderen leren? In het verhaal van Marcus zitten tenminste drie aanknopingspunten.

Het eerste ligt in de opdracht die Jezus aan zijn leerlingen geeft om op weg te gaan en het rijdier te halen dat Jezus nodig heeft voor zijn intocht. Deze opdracht van Jezus vraagt van hen een stap in vertrouwen: ze weten immers niet precies wat Jezus van plan is, snappen daar ook de bedoeling niet van, maar ze geloven Jezus op zijn woord. En door te gehoorzamen dragen zij bij aan een volgende stap in de komst van het koninkrijk van God. Daar ligt ook voor ons en onze kinderen een belangrijke sleutel, denk ik. Leven in het koninkrijk van God begint vaak met eenvoudige gehoorzaamheid. Doen wat Jezus zegt, stapje voor stapje. Dat is wat Jezus ook zegt in de grote opdracht aan het slot van Mattheüs: maak de volken tot mijn leerlingen, door ze te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Geest én door ze te leren om alles te onderhouden wat ik heb opgedragen. Alles wat hij heeft opgedragen. Hoe zit dat bij ons? Hebben we de opdrachten in ons hoofd geprent en in ons hart gesloten? Van de week nam ik deel aan een ontmoeting tussen imams en predikanten in moskee Nour, aan de Witte de Withstraat. Daar liet de imam een soort schrijfbord zien waarop kinderen de tekst van de Koran moeten schrijven, om die tekst zo uit hun hoofd te leren. Als het kan de hele Koran! Toen dacht ik wel even: hoeveel christenen prenten de woorden van Jezus nog zo in hun hoofd en hun hart om ze vervolgens ook te doen? Weten we echt wat Jezus heeft opgedragen, zodat we het ook kunnen doen?

Gehoorzamen dus. Het tweede aanknopingspunt zit bij wat de omstanders doen als Jezus de stad binnenkomt. Ze leggen hun mantels op de weg en op het rijdier van Jezus en maken daarmee ruim baan voor de koning. Eén van de uitleggers maakte daarbij deze opmerking: ze stelden wat ze bezaten (en een mantel was in die tijd een heel kostbaar bezit) beschikbaar aan het koninkrijk van God en aan de koning. Dat leek me nou een mooie toepassing, ook voor ons: we krijgen deel aan de mogelijkheden van het koninkrijk door wat wij bezitten in dienst te stellen van het Koninkrijk en de Koning. In feite is dat één van de betekenissen van de kinderdoop, dat we ons liefste bezit opdragen aan God en zijn koninkrijk. Maar het gaat natuurlijk veel verder dan dat. Het raakt aan ons geld, aan onze talenten, aan ons werk, ons huis en aan alle dingen waar wij enthousiast van worden in het leven. Zijn wij bereid ze in dienst te stellen van het komende koninkrijk? Dat is soms heel spannend, maar wat is het mooi en vruchtbaar om het erop te wagen.

Tenslotte het derde aanknopingspunt: de wóórden van de omstanders. Ze roepen: ‘Alle eer aan God! Leve de man die door God gestuurd is. Alle eer aan God in de hemel!’ Deze woorden komen allemaal uit de psalm waarmee we straks de dienst besluiten: Psalm 118. Ze gebruiken dus bijbelwoorden, die ze dus blijkbaar uit hun hoofd kenden, om te duiden wat hier gebeurt. Maar ze voegen er ook een spontane zin aan toe, die aangeeft wat ze persoonlijk zien en geloven. Deze zin: ‘Leve het nieuwe koninkrijk van onze voorvader David.’ Met andere woorden: we geloven dat het koninkrijk nu begonnen is en we verwelkomen het in ons leven en in onze wereld. We willen er in binnengaan en er in leven! Dat is ook wat ons te doen staat: persoonlijk belijdenis afleggen van wat we geloven. Met geijkte woorden, die we uit het hoofd kennen en in ons harten wonen, maar ook met persoonlijke eigen woorden. Deze zondag leggen veel mensen in het land belijdenis van het geloof af. Bij ons gebeurt dat met Pasen. Maar voor ons allen is de vraag: wat is onze belijdenis over de Koning?


Tenslotte
Op de Palmzondag vieren we dat Jezus, vlak voor zijn sterven en opstanding, een zichtbaar teken gaf van het koninkrijk dat met hem is aangebroken. Het is een nieuwe wereld, vol ongekende mogelijkheden, nu nog vaak verborgen en ten dele, maar op Gods grote dag in alle volheid. In die niewe wereld nodigt Jezus ons uit, ook vandaag.


Amen

maandag 6 oktober 2014

Galaten 2:11-21 Een nieuwe, christelijke identiteit

Er is zojuist iets heel ingrijpends gebeurd, hiervoor in de kerk. Het was natuurlijk heel schattig, al die kindjes op het podium, maar wat daar gebeurde heeft grote gevolgen voor hun leven. Door jullie kinderen te laten dopen (of door haar een voorbereidende zegen te laten ontvangen) hebben jullie het verlangen uitgesproken dat jullie kind christen zal zijn en worden. Jullie kind heeft de christelijke identiteit gekregen -de Engelsen zeggen 'your child is christened' - en dat betekent nogal wat.

Wat betekent dat dan?  Nou, het is een diep bijbels besef dat de identiteit die wij door Jezus Christus krijgen al onze andere identiteiten overstijgt of zelfs de doodsteek geeft. Als ik even aan jullie kinderen denk: de meesten hebben de Nederlands identiteit, maar Emilia heeft ook de Braziliaanse; ze hebben de Amsterdamse identiteit, maar ook de Amstelveense; ze hebben een familie-identiteit en een mannelijke of een vrouwelijke. Allemaal dingen die identiteit van jullie kinderen zullen gaan bepalen. Maar het teken van de doop zegt - en daar gaat het ook over in het stukje dat we uit de Bijbel lazen - het feit dat ze christen zijn geeft ze een christelijke identiteit en overstijgt al die andere.

Dat is me natuurlijk nogal een uitspraak en ik hoop maar dat jullie je dat gerealiseerd hebben toen jullie besloten tot de doop of de zegen van jullie kleine, want kleiner kan ik het niet maken. De doop is wat in het Engels heet een 'identitymarker', die verwijst naar een radicale werkelijkheid die er onder ligt. En juist die woorden van Paulus maken dat duidelijk.
*Hoe spannend dat met die identiteiten maakt Paulus om te beginnen duidelijk door een herinnering op te halen aan een ruzie. (Ook zo kenmerkerkend: als het over identiteit gaat kan heel gemakkelijk ruzie ontstaan). Wat is het verhaal? Dit. Paulus had in de stad Antiochië - destijds een multiculturele stad waar ook een multiculturele kerk was ontstaan - een flinke aanvaring gehad met Petrus, die hier Kefas wordt genoemd. Kefas was één van de leerlingen van Jezus en hij was, net als Paulus, dus een geboren Jood.

Nu hoef ik denk ik niet uit te leggen dat de identiteit van het Joodse volk nogal sterk is. Dat is vandaag zo, maar dat was toen ook zo. Het leven met de thora en de joodse traditie was voor veel Joden absoluut identiteitsbepalend. Kwam je aan de traditie, aan de thora, dat kwam je aan hen. Hun joodse identiteit was hun leven en hun leven hing er vanaf.

Maar nu waren zowel Petrus als Paulus christen geworden, volgelingen van Jezus Christus. En in die overgang was iets heel heftigs gebeurd: ze waren tot de ontdekking gekomen dat Jezus, de Jóód Jezus, de hele Thora en daarmee de hele traditie had vervuld en daarmee als identiteitsbepaler buiten spel had gezet. Voortaan zou hun identiteit dus niet meer afhangen van de Joodse wet, maar alleen nog maar van hun geloof in Christus. En dat had allemaal heel concrete gevolgen. Bijvoorbeeld, dat de scheidslijn tussen Joden en heidenen was opgeheven. Waar Joden nooit aan tafel gingen met een (christen-) heiden, deden Paulus en Petrus dat wel. Alle nationale, raciale en religieuze identiteiten werden door de identiteit in Christus overstegen. Maar uit het verhaal dat Paulus ophaalt blijkt wel hoe ongelooflijk moeilijk het voor met name joods christenen is geweest om dat oude echt achter zich te laten. Petrus, die echt een voorloper was in het verkondigen van die nieuwe werkelijkheid, was op een bepaald moment toch weer even teruggeschrokken. Toen er namelijk een Joods-christelijke delegatie uit Jeruzalem kwam, was hij opeens gestopt samen eten met heidenen, uit angst voor hun oordeel. En Paulus zegt daarover: daarmee maakte hij maar niet een foutje, nee daarmee handelde hij hypcriet en verduisterde hij het zich op wat nou juist zo bevrijdend is van die christelijke identiteit. In elk geval is het voor Paulus een goede reden om nog eens heel kernachtig uit te leggen wat de christelijke identiteit inhoudt.



*Wat houdt een christelijke identiteit in? Korter dan Paulus het zegt in vers 19 en 20 kan ik het niet zeggen: 'Met Christus ben ik gekruisigd: ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij. Mijn leven hier op aarde leef ik in het geloof in de Zoon van God.' De BGT verwoordt dat nog kernachtiger: 'Christus is voor ons gestorven aan het kruis. En met hem is ons oude ik gestorven. We zijn nieuwe mensen geworden.'

Probeer het je even voor te stellen. Daar hangt een man aan een kruis. Zijn naam is Jezus. 1981 jaar geleden, 4583 autokilometers van Amsterdam. Hij is door Joden overgeleverd in de handen van heidense overheersers. Schuldig is hij niet, maar toch moet hij sterven. En hij sterft. Wat hebben wij daar mee te maken, kun je je afvragen? Dat hangt er vanaf, zegt Paulus. Ík gelóóf namelijk in die Jezus. In zijn woorden, in wat hij deed en zelfs in zijn dood. Ik geloof dat ik - of liever: mijn oude ik, mijn op allerlei manieren verwrongen identiteit - dat ik toen met hem mééstierf. En toen dat gebeurde stierven ook alle manieren die ik en anderen hadden bedacht of geloofd om ons oude ik te redden. Lang heb ik geloofd dat mijn Joodzijn me zou redden, maar die overtuiging is daar aan dat kruis doodgegaan. Net als alle pogingen die ik deed door gehoorzaamheid aan de Thora een goed mens te worden. Ook dood. Einde oefening. Dat hele oude ik van mij, met al dat streven en zwoegen, ging daar dood met Jezus.

Maar daar is het niet bij gebleven. Want Jezus bleef niet dood, hij stond óp uit de dood. En toen híj opstond, mocht ik óók opstaan, mét hem, met een nieuw ik, een nieuwe identiteit. Een nieuw ik dat zichzelf niet hoeft te bewijzen, maar dat genoeg heeft aan Jezus. Dat gevúld is mét Jezus en steeds meer gevuld wórdt dóór Jezus. Alle energie die ik vroeger in mijn Joodse identiteit stopte, stop ik nu in het geloof in de Zoon. Niet om daar nog iets mee te presteren of te verdienen, maar omdat hij mij heeft liefgehad en zijn leven prijsgaf voor mij. Ik vind mij identiteit ook daadwerkelijk in hem!


*Dit is wat Paulus dus over christelijke identiteit zegt tegen de joodse- en heidense christenen uit zijn tijd. Wat zou dat voor óns betekenen? In elk geval drie dingen.

Om te beginnen moeten we beseffen dat de woorden die Paulus hier gebruikt in zijn tijd ook werden gebruikt tijdens doopplechtigheden. In die doop gingen mensen helemaal kopje onder (of ze dat met hun kinderen deden weten we niet zeker, maar is niet onwaarschijnlijk). Op het moment dat onder water gingen klonken er woorden als: met Christus ben je gestorven en begraven. En als ze weer boven water kwamen hoorden ze: met Christus ben je opgestaan in een nieuw leven. Nu hebben wij vanmorgen, uit praktische overwegingen, wat minder water gebruikt, maar het is belangrijk om te beseffen dít ook vanmorgen gesymboliseerd werd: dat jullie, met jullie kinderen zijn gestorven, begraven en opgestaan in hem of dat je daartoe wordt uitgenodigd. Dat dus ook van jullie en je kinderen mag gelden wat die BGT zo prachtig recht op het hart af zegt: 'En met hem is ons oude ik gestorven. We zijn nieuwe mensen geworden.' Dat is waar de doop van vanmorgen van getuigt en ons steeds weer aan zal herinneren. Zo radicaal.

Het tweede is, dat jullie kinderen hiermee wel voor het leven getekend zijn (zelfs door die zegen) en dat ze daarmee in levenslang in een identiteitstrijd en soms zelfs identiteitscrisis zullen komen. Iemand voor dat een levenslange realiteit was, was de Japanse schrijver Shusako Endo. Endo werd geboren in de Japanse cultuur waar het boeddisme alomtegenwoordig was. Rond zijn 10e bekeerde zijn moeder zich, onder invloed van haar zuster, toch het christelijk geloof en ze besloot Shusako ook te laten dopen. Zo groeide hij op als christen en bleef daar tot aan zijn dood trouw aan. Maar zijn leven lang heeft Endo geworsteld met zijn identiteit en daar in zijn romans en verhalen ook steeds over geschreven. Naar het boeddhisme kon en wilde hij niet meer terug, maar toch was het nog steeds wel een stukje van zijn identiteit. Natuurlijk bleef hij Japanner, maar veel Japanners geloofden dat de Japanse cultuur als een moeras was, waar de boom van het christendom misschien wel even zou kunnen opschieten en bloeien, maar uiteindelijk door verrotte wortels zou omvallen. Dat beeld heeft Endo zijn leven lang beziggehouden. Nu is dat Japan, maar ik denk dat ook voor ons geldt dat de doop ons in een identiteitscrisis brengt. Ik merk dat aan degenen die zich in de afgelopen paar jaar lieten dopen nadat ze tot geloof kwamen. Maar het zal ook gelden voor ons en onze kinderen, zeker in een cultuur waar allerlei afgoden zulke sterke identitymarkers zijn. Het lijkt me goed dat onder ogen te zien en daar in geloof een weg in te zoeken.

En tenslotte dit. Ons jaarthema dit jaar is: Comort and challenge. Waar vinden we geborgenheid in, wat daagt ons uit. Nou, over de geborgenheid had ik het net: je mag geloven dat je met Christus bent gekruisigd en met en voor hem leeft. Maar de uitdaging is om daadwerkelijk vanuit die identiteit te leven. Dat is waar het om gaat in geloofsopvoeding, maar ook op al die momenten waarop we elkaar aanmoedigen als christen te leven. Dat dat nauw luistert bewijst het optreden van Kefas: hij wist dat hij in Christus een nieuwe identiteit had gekregen, maar toen er Joodse-christenen kwamen zocht hij zijn geborgenheid in die oude, die allang dood was. Als dat zelfs Kefas overkwam zal het ook ons wel eens gebeuren. Niet erg, als we er maar van leren en ons weer omkeren. Daar helpt Galaten 2 bij.

*'Want Christus is voor ons gestorven aan het kruis. En met hem is ons oude ik gestorven. We zijn nieuwe mensen geworden.' Is dat ook onze identiteit?

Galaten 1:10 -2:10 Het Evangelie voor heidenen. Klopt dat wel?

In de jaren tachtig ontstond bij de achterband van de Gereformeerde Zendingsbond (GZB) een enorm heftige discussie. De aanleiding was een nieuwe geloofsbelijdenis, van één van de partnerkerken, in Indonesië. De door de GZB uitgezonden theoloog Bas Plaisier had meegeschreven aan een nieuwe geloofsbelijdenis voor de Torajakerk en schreef vervolgens in het clubblad een aantal toelichtende artikelen.

In die artikelen legde hij vooral uit waarom het nodig was geweest om tot zo'n nieuwe belijdenis te komen. Het punt was namelijk, dat belijdenissen die de zendelingen ooit vanuit Nederland hadden meegenomen geen antwoord gaven op een aantal vragen die juist in de Indonesische cultuur centraal stonden. Uiteraard ging dat over de verhouding met de Islam, verreweg de grootste religie in Indonesië, maar óók, en dat was nog spannender, de traditionele voorouderverering. In Indonesië is het geloof in de onsterfelijke ziel heel wijdverbreid. Mensen hebben een diep geloof in de ziel die zich na de dood in een soort tussengebied ophoudt, maar waar de levenden ook mee in contact kunnen komen. En ook als mensen christen werden, bleven ze delen van dat geloof aanhangen.

Welnu, die nieuwe geloofsbelijdenis benadrukte heel sterk dat het geloof in de onsterfelijke ziel eigenlijk helemaal niet Bijbels is en dat de dingen die daarover in de oude belijdenissen stonden meer door het Griekse filosofische denken dan door de bijbel waren geïnspireerd. Maar vooral werd nu alle nadruk gelegd op de wederkomst van Christen en opstanding der doden, als tegenwicht voor het de verering van de zielen.

In Indonesië was men blij met deze belijdenis, maar in Néderland brak echt een onweer uit. Een paar predikanten namen het voortouw om luid en duidelijk te verkondigen dat Plaisier veel te veel tegemoet was gekomen aan de Indonesische cultuur en daarom de gereformeerde leer verkwanselt had. En natuurlijk werd hem ook verweten dat hij onder een hoedje speelde met moderne theologen, die de cultuur ook veel te serieus hadden genomen. Kortom: die nieuwe belijdenis was véél te ver gegaan, volgens de bezwaarden.


*Ik moest aan deze discussie terugdenken toen ik deze week met Galaten 1 en 2 bezig was. Paulus verdedigt zich hier met hart en ziel tegen christenen met een Joodse achtergrond die hem verwijten dat hij het evangelie veel te veel heeft aangepast aan de heidenen aan wie hij het verkondigt. Tom Wright gebruikt daarvoor de woorden 'pleasen' en 'te comfortabel'. En inderdaad, die indruk zou je kunnen krijgen, omdat Paulus een reeks zaken die voor het Jodendom identiteitsbepalend zijn voor heidenen als niet langer relevant beschouwde. We moeten dan denken aan zaken als: feestdagen, spijswetten en besnijdenis. Paulus verkondigde in alle toonaarden wat hij in 2:4 kort samenvat: wij hebben in Christus vrijheid ontvangen en mogen elkaar dus niet meer tot slaven van de wet maken. Hoe verweert Paulus zich alle verwijten? Dat doet hij op 2 manieren.



*Om te beginnen gaat hij heel persoonlijk vertellen hoe hij tot zijn roeping om het evangelie te verkondigen is gekomen. Aan de hand dáárvan kan hij heel goed duidelijk maken, dat hij er absoluut niet opuit is om wie ook maar te behagen. En eerlijk is eerlijk: het is een bijzonder verhaal.

Paulus begint ermee om te halen hoe hij vroeger, als geboren en getogen Jood, geleefd en geloofd had. Hij had het bepaald niet licht opgenomen, maar was fanatiek geweest in zijn gehoorzaamheid. 'Ik leefde de Joodse wetten héél wat strikter na dan velen van mijn generatie en zette mij vol overgave in voor de tradities van ons voorgeslacht.' Hij was dus een serieus mannetje en de kans dat hij zich zou bekeren tot een comfortabele vorm van christendom was niet zo heel groot.

Nee, zegt hij dan ook, wat er gebeurd is is dit: God heeft mij geroepen, in genade en zijn Zoon Jezus in mij geopenbaard. En in een adem door gaf hij mij de opdracht om Jezus te gaan verkondigen aan de heidenen. Eigenlijk wist hij zich niet goed raad met deze openbaring, maar hij besloot om er ook maar geen raad over te vragen bij anderen, maar zich drie jaar terug te trekken in de woestijn. Daar zou hij, in voortdurend gesprek met Jezus die hem had geroepen, hopelijk tot inzichten komen die hij nodig had voor zijn nieuwe roeping. En hij gelooft dat dit ook gebeurde.


*Paulus vertelt dus hoe God zelf hem op spoor gezet heeft naar de heiden en hoe hij zelf zo ook veranderde. Met dit persoonlijke levensverhaal onderstreept hij dat hij het evangelie voor de heidenen niet zelf bedacht heeft, maar dat het hem is geopenbaard.

Maar ja, iedereen kan wel zeggen dat God zich heel persoonlijk aan hem heeft geopenbaard, maar hoe controleer je dat? Nou, dat is dus ook het sterke van Paulus' verhaal, want na drie jaar is hij naar Jeruzalem gegaan om zijn nieuw verworven inzichten voor te leggen aan wat toen de leiders van de kerk waren. Twee weken lang is hij bij Petrus geweest en ook had hij contact met Jacobus, de broer van Jezus, die de leider was van de gemeente in Jeruzalem. En blijkbaar heeft niemand van hem gezegd dat zijn overtuigingen niet klopte. Nou, vervolgens is hij gaan reizen en preken en telkens als hij in christelijke gemeenten kwam prezen mensen God om wat ze van hem hoorde. En tenslotte is Paulus, 14 jaar na zijn bekering, nóg een keer naar Jeruzalem gegaan, om daar in besloten kring het evangelie zoals hij dat al die jaren aan de heidenen had verkondigd  ter beoordeling voor te leggen. En opnieuw had niemand hem ook maar iets verweten, zelfs niet dat hij zijn medewerker Titus niet had laten besnijden om de gevoeligheden bij de Joden weg te nemen. (Opvallen detail: in een eerdere fase had hij dat bij Timotheus nog wel laten doen, dus Paulus was nog verder gegroeid in zijn inzichten).

Nou ja, aan het eind van dit hele verhaal hadden Jacobus, Petrus en Johannes die 'de steunpilaren van de vroege kerk waren' geconcludeerd dat Paulus inderdaad door Christus zelf tot een bijzondere taak geroepen was. Ze hadden erkend dat al die beslissingen om heidenen geen lasten uit de Joodse traditie op te leggen waren ingegeven door de Geest van God. En zo waren ze tot een hartelijke taakverdeling gekomen: Paulus zou de heidenen bedienen, en zij zouden zich meer ontfermen over de christenen met een Joodse achtergrond. En dat alles in het besef dat het één gemeente is!
*Wat léren wij hier nu van voor onze situatie. Ik noem drie dingen die we kunnen meenemen.

Om te beginnen leert dit gedeelte ons, dat de boodschap van Jezus in verschillende contexten steeds weer nieuwe accenten krijgt. Wat er met die geloofsbelijdenis in Indonesië gebeurde, gebeurde ook voortdurend met Paulus. Telkens kwam hij, samen met de mensen in de vroege kerk, voor de vraag te staan wat in déze cultuur, voor déze mensen, de kern van het Evangelie was. En één ding is voor Paulus blijkbaar leidend geweest: het evangelie is een boodschap van bevrijding. Jezus maakt ons vrij. En dus moeten we ons verzetten tegen alles wat ons weer tot slaaf dreigt te maken, of dat nu van de Joodse of van de heidense kant komt. Het is dus niet vreemd dat allerlei dingen die in een bepaalde cultuur of traditie vanzelfsprekend zijn door het evangelie in een ander licht komen te staan of zelfs achtergelaten moeten worden. Een beetje concreter gezegd: we moeten er niet raar van opkijken, dat het evangelies zoals we dat in Amsterdam verkondigen net een wat andere accenten heeft dan in Hendrik-Ido Ambacht. De kern is wel hetzelfde, maar die dingen die we verder belangrijk vinden kunnen verschillen. En dus is het belangrijk als we in de kerk bijvoorbeeld leren zeggen: we geloven dat jij bediening hebt voor de stad en jij voor het dorp; dat jij je toelegt op de heidenen en jij op degenen die al binnen zijn. Verschillende accenten, maar het is één bediening.

Het tweede wat dit gedeelte ons doet vermoeden is, dat ons geloofsleven, net als dat van Paulus, in beweging is. Hopelijk gaat het er niet zo heftig aan toe als in zíjn leven, maar ook in ons leven kunnen dingen echt heel erg veranderen. Sommigen van ons hebben een behoorlijk drastische bekering meegemaakt, bijna zoals Paulus, terwijl anderen in een heel langdurig proces toch ook anders zijn gaan geloven dan vroeger. Soms voel je je daar volmaakt rustig en kalm bij, maar soms word je er ook op bevraagd door anderen of door de stem van je eigen geweten. En ik dacht: wat is het goed, om net als Paulus, je eigen levensverhaal te vertellen in het licht van wat je hebt ontdekt en ontvangen van het evangelie. Als je op een kring zit, zou dat een mooie avond kunnen opleveren: gewoon aan elkaar vertellen hoe dat is gegaan. Hoe Jezus in je leven kwam (of juist nog niet) en wat er toen allemaal veranderde. Je zou het ook kunnen opschrijven of opnemen op een film. Hoe je ook doet: voor Paulus was het een goede manier om naar zichzelf en anderen toe te verantwoorden hoe hij tot zijn visie op het evangelie was gekomen. Denk er eens over.

En dan tenslotte: wees bereid om je visie voor te leggen aan mensen met geestelijk gezag in de gemeente. Beschouw je levensverhaal dus niet als jouw verhaal waar verder niemand iets van hoeft te vinden, maar vraag daar juist naar. Dat heeft natuurlijk iets heel kwetsbaars, zoals ik pas ook ervoer in de uitzending met Andries Knevel. Maar hopelijk zul je ervaren wat ik ook ervoer: dat heel veel mensen mijn verhaal herkenden en ook érkenden. Dat was voor mij eigenlijk de grote bemoediging in de weken erna. Als het goed is, is de christelijke gemeenschap een ruimte waarin we naar elkaar verantwoording kunnen afleggen van de weg die wij zijn gegaan met God en van de dingen die we onderweg leerden. Accountablity noemen ze dat in het Engels, dat je je open durft te stellen voor het oordeel van de ander en zo verantwoordelijk wordt voor je eigen leven.  Alleen als we zo open naar elkaar durven worden kunnen we ook groeien en worden bevestigd in de weg die we gaan. Ik hoop ontzettend dat onze kerk zo'n gemeenschap is. En in elk geval hoop dat ik dat iedereen hier zo'n groepje heeft waar hij zijn levensverhaal kan voorleggen, net als Paulus.



*Het evangelie voor de heidenen. Klopt dat wel? Dat was het thema van deze preek. Een spannend thema, zoveel is hopelijk wel duidelijk geworden. Maar Paulus verzekert ons: het klopt écht, ook als dat op het eerste gezicht niet zo lijkt. Want het evangelie van de vrijheid in Jezus Christus is bedoeld voor heidenen en Joden, voor mensen uit alle culturen en van alle talen. En hoe spannend wij dat ook vinden, de Geest van God wil ons weg wijzen, in elke tijd opnieuw.

Galaten 1: 1-9 Comfort and Challenge


Het begon me de laatste tijd op te vallen dat in boeken en artikelen over geloof steeds vaker de uitdrukking 'comfort and challenge' werd gebruikt. Comfort and challenge, ik vertaal het maar even als 'geborgenheid en uitdaging'. 

Ik las de uitdrukking bijvoorbeeld in Oefenruimte van Sake Stoppels. In dit boek constateert Stoppels dat het voor kerken en gemeenten vaak heel lastig is om de balans tussen geborgenheid en uitdaging te bewaren. Nogal wat kerken hebben een cultuur gekregen die vooral is gericht op vertrouwdheid, warmte en laagdrempeligheid. Mensen kunnen zich snel thuis voelen, maar echt uitgedaagd om geestelijk te groeien worden ze er niet. Andere kerken dagen mensen juist enorm uit en stimuleren ze om vertrouwde grenzen over te gaan en uit de comfortzone te komen; maar zij lopen weer het gevaar dat mensen geen rust meer vinden in het geloof. 

In de Jeruzalemkerk zijn we sinds een jaar of 6 bezig een gemeenschap van leerlingen van Jezus te vormen. Discipelschap noemen we dat. In die 6 jaar zijn we vaak tegen de spanning 'comfort and challenge' aangelopen. Sommigen voelden zich eigenlijk niet voldoende uitgedaagd om te groeien als leerling van Jezus, terwijl anderen juist het gevoel hadden dat het wel een beetje minder mocht. Voor sommigen is de gemeente vooral de veilige thuishaven vanúit een hectische wereld, voor anderen de uitvalbasis voor het leven ín die wereld. 

Tijdens de gemeentedagen van de Jeruzalemkerk hadden we een gesprek over deze dingen. Toen ik op een bepaald moment de uitdrukking 'comfort and challenge' gebruikte bleek deze veel herkenning op te roepen en tijdens de rest van het weekend steeds terug te komen. Blijkbaar was er een snaar geraakt. Langzaam groeide het besef dat het goed zou zijn hier eens wat langer mee bezig te zijn. Uiteindelijk besloten we om er het jaarthema voor 2014/15 van te maken. 

Ik hoop van harte dat dit jaarthema ons zal helpen om een goede balans te vinden, zodat de Jeruzalemkerk meer en meer een plek zal zijn van comfort én challenge, geborgenheid én uitdaging. Volgens Sake Stoppels, die onze gemeente als een van de 10 voorbeelden noemt, slaat in de Jeruzalemkerk de balans duidelijk door naar de kant van comfort. Of dat zo is en wat dat dan betekent gaan we hopelijk ontdekken komen seizoen. Daar ligt in elk geval een uitdaging!

*In Paulus' brief aan de Galaten komt het thema comfort and challenge op een heel bepaalde manier ook steeds aan de orde. De kern van de brief wordt gevormd door de vraag wat genade nu eigenlijk betekent en of genade geen zorgeloze mensen maakt. Dat zit zo.

Volgens de eerste 5 verzen van deze brief gaat het in de genade die God ons bewijst om niets minder dan radicale bevrijding van zonde en kwaad. Genade is namelijk niets minder dan geborgenheid bij Jezus Christus, die, zoals we in vers 4 lezen, 'zichzelf gegeven heeft voor onze zonden om ons te bevrijden uit deze door het kwaad beheerste wereld.' Aan de ene kant zit hier de erkenning achter dat het kwaad zo diep in ons zit dat we er onszelf nooit van kunnen bevrijden. Als we onszelf moeten redden lopen we hopeloos vast. Maar Jezus heeft zichzelf voor ons overgeven. Vóór ons, staat er. Letterlijk: namens of in plaats van. Het offer dat Jezus bracht was plaatsvervangend en daarom is het een reddend offer. Hij deed wat wij niet konden opbrengen en niet voor elkaar kunnen krijgen. Tim Keller beschrijft het zo: 'Jezus deed alles wat wij hadden móeten doen, in onze plaats, dus als hij onze redder wordt, zijn wij volkomen vrij van straf en veroordeling.'

En God de Vader, zegt Paulus in het vers ervoor, heeft dit offer aanvaard als meer dan voldoende. Dat blijkt uit twee dingen. Volgens vers 1 blijkt het uit het feit dat God Jezus opwekte uit de dood. Maar het blijkt ook hieruit dat God ieder die zich aan Jezus Christus toevertrouwt 'genade en vrede' geeft (vers 3). Genade en vrede, dat is in de bijbel de diepste uitdrukking voor een leven in geborgenheid, in comfort dus. Genade en vrede door het bijzondere offer van Jezus.
*Comfort, geborgenheid, is volgens deze paar verzen dus dat je je leven gered weet door wat Jezus voor je deed. Daar gaan we het de komende weken zeker nog vaker over hebben, maar op deze startzondag stel ik de simpele vraag: is het ook onze overtuiging dat we door Jezus in genade en vrede geborgen mogen zijn? Dat lijkt misschien een overbodige vraag, maar dat is het niet. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat je jezelf zo slecht en zondig voelt dat je denkt: die genade en vrede kunnen nooit voor mij gelden. Het kan ook zo zijn dat je zo gewend bent je eigen boontjes te doppen dat je het gewoon moeilijk vindt om te geloven dat een ander dat voor jou zou willen doen. Of het kan simpelweg zo zijn dat het niet voelt, die genade en de vrede en dat je daarom je twijfels hebt. Dus daarom die vraag: hoe geborgen weet en voel je je? Maar ik zeg er meteen wel bij: je mág echt geloven, dat als je gelooft in Jezus, je geborgen bent, in leven en dood.

*Nu voelen we allemaal wel aan dat het idee wat de apostel over genade heeft nogal radicaal is. Het is nogal wat om te geloven dat je op grond van wat een ander voor je gedaan heeft helemaal vrij zou zijn van het kwaad. In elk geval roept dat de vraag op: ja, maar moeten wij dan niets meer doen? Worden wij dan nergens meer toe uitgedaagd? Word je daar niet ontzettend lui en zorgeloos van?

Dat was een vraag die in elk geval in de dagen van Paulus veelvuldig gesteld werd, met name door christenen met een joodse achtergrond. Zij kwamen natuurlijk uit een achtergrond waarin het dóen, het doen van de Thora, van levensbelang was. En zij konden zich niet goed voorstellen dat christenzijn zou betekenen dat die Thora, die gehoorzaamheid, voortaan geen rol meer zou spelen. En dus begonnen zij hun medegelovigen uit te dagen om allerlei onderdelen van die wet (of van de joodse traditie) toch weer heel serieus te nemen. Je moet dan bijvoorbeeld denken aan dingen als besnijdenis, het houden van bepaalde feestdagen, voedselwetten, dat soort dingen. En eerlijk is eerlijk: het waren wel mensen die het geloof serieus namen, die op die manier geloofden te zullen groeien in het geloof. Het waren mensen die de challenge-kant van het geloof heel serieus namen.

En toch maakt Paulus gehakt van hun streven. Hij wordt er zelfs woedend over. Waarom? Omdat hij ervan overtuigd is dat dit tot moralisme zal leiden en de gemeente uiteindelijk het zicht op Gods genade zal ontnemen. Wat hier verkondigd wordt is een ánder evangelie, zegt hij vers 6 en 7, maar eigenlijk ís het geen evangelie, want je raakt er het zich op Christus door kwijt. Paulus is zo boos dat hij de valse predikers zelfs vervloekt.
*Al met al een heftig begin van deze brief, maar ik moet zeggen dat ik er wel blij mee ben. Nee, niet met die vervloekingen - dat laat ik liever aan collega Rikko Voorberg over, die schreef NRC Next dat we in de kerk meer moeten vloeken :). Nee, ik ben blij met de waarschuwing dat het zoeken naar uitdagingen in geloof en discipelschap heel gemakkelijk tot moralisme en wetticisme kunnen leiden. Ik ken verschillende boeken over discipelschap die naar mijn gevoel echt in die hoek zitten. Dat is waar we het komende seizoen in elk geval voor moeten waken, dat we onzelf en elkaar niet opzadelen met uitdagingen die de genade verduisteren.

Positiever gezegd: we zullen in het komende seizoen moeten ontdekken hoe we kunnen groeien in genade. Hoe we dus op een genadige manier uitgedaagd worden om uit onze comfortzone te komen. het gaat hier dus om de goede balans tussen geborgenheid én uitdaging, comfort ánd challenge.

Die balans is mogelijk wanneer we al ons vertrouwen stellen op Christus, die alles voor ons gedaan heeft wat wij niet konden. Bij hem mag je je geborgen weten, voor eeuwig en altijd, met al je tekorten en zonden. Maar juist vanuit die geborgenheid zal hij je aansporen om te veranderen en je leven te vernieuwen. En een nieuwe leven betekent dan dat 'Christus in je gestalte krijgt', zoals Paulus dat in hst. 4 zal noemen.

Zo gaan we vandaag beginnen aan een seizoen waarin comfort and challenge centraal zullen staan. Het kan bijna niet anders of hier zullen mooie dingen uit voortkomen.

dinsdag 23 september 2014

Een vertrouwd Luthers geluid

(Deze recensie verscheen op maandag 22 september 2014 in het Friesch Dagblad)

Tim Keller, predikant van Redeemer Presbyterian Church in New York, schrijft sneller dan de meesten van ons bij kunnen houden. Een jaar of zeven geleden vertelde één van de medewerkers van Redeemer me dat Keller de laatste jaren van zijn bediening wilde besteden aan schrijven. Liefst wilde hij de thema’s die in zijn preken telkens terugkomen breder uitwerken en zo breder bekend maken. Het ziet er naar uit dat dit gaat lukken, want het rijtje witte kaften in mijn kast begint indrukwekkend te worden. Maar nu is er een setje blauwe boeken, hetgeen doet vermoeden dat het hier om een ander genre gaat. En dat klopt ook: voor het eerst publiceert Keller nu een bijbelstudieboek en wel over de brief aan de Galaten.

Voor wie het werk van Keller kent is de keuze voor deze brief niet verrassend. In deze brief gaat het over een thema dat niet minder dan het hart van zijn preken en boeken vormt: het Evangelie van de genade tegenover alle vormen van moralisme en afgoderij. Interessant daarbij is dat Maarten Luther – één van Kellers belangrijkste leermeesters – ook een beroemd geworden commentaar schreef op die brief. En net als Luther gebruikt ook Keller de brief aan de Galaten om de kern van het Evangelie voor zijn eigen tijd onder woorden te brengen. 

Keller volgt in dit boek – Om te lezen, te leren, te leiden – de gedachten van Paulus op de voet. In dertien hoofdstukken legt hij verreweg de meeste verzen uit en brengt ze in gesprek met gedachten van mensen vandaag. Net als in zijn andere boeken is de stijl glashelder, zijn de voorbeelden aansprekend en is de boodschap kernachtig. Zoals altijd is hij zowel in gesprek met mensen binnen als buiten de kerk. Wie dit boek doorwerkt kan er zeker van zijn dat hij in alle toonaarden heeft gehoord wat een leven uit genade inhoudt. En waar Paulus in gesprek is met godsdienstige ideeën uit zíjn tijd, doet Keller dat met die uit de onze. Het zijn gesprekspartners die we uit zijn andere boeken inmiddels door en door kennen: het moralisme (de neiging om jezelf te redden door de wet te houden), het liberalisme (de neiging om jezelf te redden door vrij te zijn), de afgoden (geld, seks, macht) en de andere religies (die volgens Keller allemaal over zelfredzaamheid gaan). Tegenover dit alles presenteert Keller het Evangelie als de gulden middenweg en de enige boodschap die echt bevrijdt.

Eerlijk gezegd begon het in dit boek af en toe wel wat te kriebelen: klopt het allemaal niet té mooi bij Keller? Doe hij andere religies recht als hij schrijft ‘Religie en filosofie in zijn algemeenheid zeggen dat God en redding alleen beschikbaar zijn voor wie goed zijn.’? En is het echt waar dat het Evangelie altijd het juiste midden lijkt te zijn tussen andere opvattingen die dus allemaal te eenzijdig zijn? En wat dit laatste betreft: opvallend is dat Keller in een aanhangsel iets schrijft over het ‘nieuwe perspectief’ dat is ontstaan op het naleven van de wet. Hij doelt daar op een ontwikkeling in de uitleg van het Nieuwe Testament, waarin de met name door Luther sterk verbreide opvatting dat het Jodendom volgens het Nieuwe Testament wettisch en moralistisch is wordt gerelativeerd. Volgens de opvattingen van E.P. Sanders en de ook in Nederland inmiddels veelgelezen Tom Wright gaat het in de naleving van de wet niet zozeer om het verdienen van de genade maar om het bewaren van de nationale identiteit. Wie vanuit dat perspectief naar de Galatenbrief gaat kijken komt op zijn minst tot andere accenten en misschien wel andere conclusies dan Keller. Deze gaat wel serieus met hen in gesprek, maar duidelijk wordt dat hij zich de visie van Luther ten diepste niet laat ontfutselen. Dat roept toch de vraag op of in dit boek over Galaten Paulus aan het woord komt of toch vooral het beeld van Paulus dat Luther over hem had.

Deze vragen doen verder niets af aan het feit dat Keller een leesbaar en opbouwend boek schreef. Het gespreksgidsje, met handleiding voor de kringleider, is zeer bruikbaar. In onze gemeente gaan we er de komende maanden mee aan de slag, in preken en op kringen. Ik verwacht dat dit boek ons zal helpen om te groeien in de kennis van en het leven uit de genade van Christus. En zinnen als deze zullen daar zeker bij helpen: ‘Het geweldige en centrale fundament van de christelijke zekerheid is niet in hoeverre ons hart op God gericht is, maar hoe onwrikbaar vast zijn hart op ons gericht is. En als we gaan begrijpen dat we ‘door God gekend’ zijn, dan doen we er geen moeite voor om ons zelfbeeld op te vijzelen of voor Hem te verschijnen op grond van ons gedrag.’

Galaten – Om te lezen, te leren en te leiden, Tim Keller. Uitgeverij Van Wijnen. 16,95 euro


Galaten – gespreksgids, Tim Keller. 7,50 euro